Buurtcomité tegen nieuw PRUP gevangenis

Op 16 september 2010, loopt de periode af waarin er bezwaar kan worden aangetekend tegen het nieuwe Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP) ‘Afbakening kleinstedelijk gebied Dendermonde’. Dit plan zou de bouw van een nieuwe gevangenis op de site van het Oud Klooster toch mogelijk moeten maken. Voor het deel-Prup ‘Dendermonde-West’ m.b.t. de inplanting van die nieuwe gevangenis heeft het actiecomité ‘Oud-Klooster’ bezwaarschriften verzameld. Deze zullen op woensdag 15 september 2010 om 11 uur door het comité overhandigd worden aan het provinciaal bestuur te Gent.

Wij hebben natuurlijk geen zicht op het totale aantal bezwaarschriften dat tegen het PRUP zal worden binnengeleverd, maar het actiecomité alleen al heeft opnieuw meer dan duizend driehonderd vijftig bezwaarschriften kunnen verzamelen. Hiermee hebben de inwoners van de Boonwijk en vele sympathisanten nog maar eens, en dit al voor de vierde keer, massaal te kennen gegeven dat ze het absoluut oneens zijn met de bouwplannen voor een nieuwe gevangenis. In sommige kringen wordt graag beweerd dat het actiecomité nauwelijks mensen achter zich kan scharen en dat het om een protest van enkelingen gaat. De vele bezwaarschriften spreken dit duidelijk tegen.

De bezwaren die reeds eerder naar aanleiding van het vorige PRUP werden geformuleerd tegen de bouwplannen van de gevangenis blijven ook nu grotendeels van kracht. Deze bezwaren zijn zeer uiteenlopend van aard en handelen niet alleen over het verloren gaan van groengebied en aantasting en/of vernietiging van diverse biotopen. Ze betreffen evenzeer een verstoring van de privacy, bedreiging van de gezondheid, verhoging van het onveiligheidsgevoel, problemen in verband met mobiliteit en verkeersveiligheid, waardevermindering van gronden en huizen… 

Hoorzitting nieuwe gevangenis

Zoals verwacht werden de mensen van het actiecomité tegen de gevangenis niet overtuigd door de argumenten en feiten gegeven door de provincie en het Dendermondse stadsbestuur.

De landelijke omgeving van onze buurt zal door de komst van dit grootschalige bouwproject volledig worden teniet gedaan en de woonkwaliteit van de buurtbewoners zal grondig worden aangetast. Een toegangsweg langsheen de Nieuwe Dender lost dit probleem helemaal niet op en bovendien blijven er nog heel wat onzekerheden bestaan over de realisatie van die toegangsweg.

Het Oud Klooster wordt beschouwd als ‘groene vinger’ in de nabijheid van het stadscentrum en is nu zeer aantrekkelijk voor wandelaars, fietsers en joggers en heeft bovendien een grote historische en archeologische waarde. Het open en groene karakter van het Oud Klooster zal door de bouw van een nieuwe gevangenis onherroepelijk verloren gaan. Het is onaanvaardbaar om steeds maar meer groengebied te elimineren, zeker in tijden waarin de mens voortdurend signalen krijgt dat de leefbaarheid van onze planeet op het spel staat. Wij willen aan onze kinderen en kleinkinderen een gezonde leefwereld doorgeven!

In de bezwaarschriften wordt gevraagd om de inplantingsplaats van de nieuwe gevangenis opnieuw te bekijken aangezien Het Oud Klooster gewoonweg niet geschikt is voor een dergelijk project. De groene corridor tussen Dender- en Scheldevallei mag door deze gevangenis mastodont niet worden gehypothekeerd!

Voor het actiecomité ‘Oud Klooster’

Wim Uyttersprot en Geert Vermeir

Beste Boonwijkenaar (*)

Persbericht

De berichtgeving van de afgelopen dagen creëert onduidelijkheid in verband met
de laatste stand van zaken over de nieuwe gevangenis in Dendermonde. Deze
nieuwsbrief wil de feiten in een correct perspectief stellen en duidelijke informatie
verstrekken.
Volgens Passepartout (24 februari 2010) is de Boonwijk de wijk waar de nieuwe
gevangenis komt. Het zou veel beter zijn te schrijven dat dit de wijk is waar de
nieuwe gevangenis NIET komt volgens de huidige situatie. De Raad van State
heeft het provinciaal plan voor een gevangenis op het Oud Klooster immers vernietigd.
Voor het ogenblik kan er geen strafinrichting worden gebouwd in de Boonwijk.
Het informatieblad van CD&V (februari-maart 2010) bloklettert dan weer dat de
nieuwe gevangenis toch in Dendermonde komt en dat de keuze voor het Oud
Klooster blijft. Een groot aantal inwoners heeft herhaaldelijk te kennen gegeven
dat het Oud Klooster te waardevol is als open ruimte om er een gevangenis neer
te poten. De beslissing van de Raad van State heeft aangetoond dat de aangevoerde
bezwaren terecht zijn! Het stadsbestuur blijft het Oud Klooster als enige
mogelijke bouwplaats promoten. Men wil nu via een nieuw provinciaal plan deze
keuze toch doordrukken maar dat plan is er nog niet. Het Oud Klooster is nu evenmin
geschikt als bouwterrein als een jaar geleden.
Om die ingesloten groenzone te ontsluiten moet immers een weg van meer
dan een km langs een waardevol natuurgebied worden aangelegd en moet er tevens
een brug worden gebouwd: nutteloze kosten die kunnen worden vermeden!
Trouwens, geen enkele recent gebouwde gevangenis ligt in zo’n ingesloten waardevol
groen- en recreatiegebied!
Wij vragen ons af waarom het stadsbestuur koste wat het wil het Oud Klooster wil
doordrukken als locatie voor een strafinrichting. Het klopt ook niet dat de tegenstanders
van de plannen geen alternatieven naar voor schuiven. Er zijn herhaaldelijk
contacten geweest met de verschillende overheden maar tot onze spijt hebben
we moeten vaststellen dat over alternatieven niet kon worden gesproken. Uit
de locatiestudie van 2004 bleek al dat het Oud Klooster minder gunstig was en dat
een andere site wel als zeer gunstig werd beoordeeld. Had de stad in 2004 de
juiste beslissing genomen in plaats van het Oud Klooster per se als locatie naar
voor te schuiven, dan was men waarschijnlijk nu al bezig met de bouw van een
nieuwe gevangenis in Dendermonde op een betere plaats. Het stadsbestuur weigerde
echter steeds om de aangeboden alternatieven zelfs maar in overweging te
nemen.
Tenslotte is het volkomen onterecht dat het Actiecomité Oud Klooster steeds opnieuw
wordt afgeschilderd als een te verwaarlozen groepje dat de toekomst van
Dendermonde wil ondermijnen. Integendeel, wij vertegenwoordigen een grote
groep inwoners en bieden hen een forum om hun mening kenbaar te maken. En
de toekomst van onze stad ligt ons wel degelijk nauw aan het hart.
De Vlaamse regering heeft beslist dat de gevangenis in Dendermonde kan komen,
zij heeft niet beslist dat dit op het Oud Klooster moet zijn. Wij verzetten ons
zeker niet tegen een nieuwe gevangenis in het Dendermondse maar we zullen
ons wel blijven verzetten tegen een inplanting op het Oud Klooster. Dat mag niet
gebeuren!
Het actiecomité ‘Oud Klooster’

 

* Dit is een pamflet en persbericht dat het actiecomité vandaag in de wijk verspreidde en aan de media werd gestuurd.

Persbericht: renovatie gevangenis nogmaals uitgesloten

Minister bevestigt dat renovatie gevangenis niet aan de orde is

Minister van Justitie wil de capaciteit van de gevangenis in Dendermonde optrekken van 160 naar 440 plaatsen. Bovendien vereist  begeleiding van gedetineerden een vernieuwde aanpak en kan dit niet gerealiseerd worden in de gebouwen van de huidige gevangenis. De minister kiest uitdrukkelijk voor de bouw van een nieuwe gevangenis.

Vlaams volksvertegenwoordiger en Dendermonds schepen Bart Van Malderen (sp.a) vroeg zijn collega en partijgenoot in het Federaal parlement Renaat Landuyt om de minister van justitie te interpelleren over de Dendermondse gevangenis. De minister bevestigde nogmaals dat de voorkeur gegeven wordt aan een nieuwe gevangenis in Dendermonde.

Van Malderen: “Minister De Clerck antwoordde dat er nog geen beslissing is genomen over wat er met de oude gevangenis zal gebeuren. Er is wel duidelijk geopteerd voor een nieuwe gevangenis. Niet alleen is renovatie een dure aangelegenheid, maar het is de beslissing van de regering om de capaciteit van de gevangenis te verhogen van 160 naar 440 plaatsen. Dergelijke capaciteit kan niet gerealiseerd worden op de bestaande site”.

Bovendien is het de bedoeling om binnen de inrichtingen niet alleen te streven naar een grotere capaciteit maar ook om een degelijk en daadwerkelijk detentietraject uit te bouwen. Dit vereist een andere aanpak met veel meer oog voor omkadering en begeleiding met andere personeelsprofielen. Ook zal er meer personeel aanwezig zijn vanuit de Vlaamse Gemeenschap. De nieuwe inrichting vereist bijgevolg een grotere oppervlakte en een geheel andere interne opdeling van de ruimte en de lokalen. Dergelijke organisatie kan niet worden gerealiseerd in de huidige gebouwen.

“Het standpunt van de lokale Open VLD-afdeling is nu officieel van de baan. Voor de minister – een coalitiepartner van Open VLD in de federale regering – is renovatie van de huidige gevangenis niet aan de orde en dus is hun standpunt zonder voorwerp. Ik vraag mij af welke locatie de Dendermondse Open VLD nu naar voren schuift”, besluit Van Malderen.

Bart Van Malderen – 16 december 2009

Jong VLD Dendermonde vraagt verantwoordelijkheid van het stadsbestuur

Vol ongeloof en verbijstering las het bestuur van Jong VLD Dendermonde enkele krantenberichten over de gevangenis in Dendermonde. Zowel Burgemeester Piet Buyse (CD&V) als Bart Van Malderen (sp.a) schuiven de schuld van de vernietiging van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) maar al te graag in de schoenen van anderen. Favoriete zondebokken op dit moment zijn het actiecomité Oud Klooster en Open VLD Dendermonde.

Het actiecomité wordt verweten dat het niet voor rede vatbaar is en ter kwader trouw handelt. Jong VLD Dendermonde is van mening dat het actiecomité enkel haar burgerrechten gebruikte, om zich te beschermen tegen onwettige besluiten door de stad Dendermonde. De Raad van State vernietigde immers het PRUP, omdat er rechtsonzekerheid was in de plannen van de stad. Jong VLD gaat er van uit, dat het hoogste rechtsorgaan in ons land toch autonome en objectieve beslissingen kan nemen?

Het is duidelijk dat de kiem van de schorsing in de incompetentie van het schepencollege ligt. Nu dit pijnlijk duidelijk wordt door de beslissing van de Raad van State, richt de meerderheid haar pijlen op Open VLD Dendermonde. Zo werd in de voorbije gemeenteraad de liberale fractie geviseerd door raadslid Jef Dauwe (CD&V) als zijnde “moordenaars van de stad”. Waarom? Omdat Open en Jong VLD voorstander blijven van een gevangenis in Dendermonde, alleen zijn beide van mening dat een renovatie van de oude gevangenis – gecombineerd met de oude Rijkswachtkazerne – een piste is die verder en beter onderzocht dient te worden en voldoende moet zijn om de gevangeniscapaciteit in Dendermonde te verhogen. Dat iemand van het actiecomité zijn burgerrechten uitoefent en daarop geviseerd wordt voor het falen van het eigen beleid, is politiek incorrect en absoluut getuigend van weinig zelfkritiek. Ongeacht wie de klacht had ingediend, de Raad van State zou dit PRUP vernietigen wegens voornoemde reden. Dit is een kaakslag voor de democratie, dat wie zijn burgerrechten uitoefent aan de schandpaal wordt genageld als schaamlampje voor het falen van het eigen beleid.

Jong VLD Dendermonde vraagt het schepencollege haar verantwoordelijk op te nemen, niet alleen in het dossier van de gevangenis, maar in alle dossiers.

Wij, als Jong VLD Dendermonde, roepen Burgemeester Buyse en de rest van de meerderheid op om als volwassenen de gevolgen van hun slechte PRUP te dragen en te stoppen met het zoeken naar zondebokken.

2 december 2009

Stijn Pluym, Voorzitter, Sander Dalle, Secretaris en Rob De Schutter, Ondervoorzitter

Commentaar:

Mensen die aan politiek willen doen, kritiek uiten op het beleid en daarover persberichten versturen zouden een minimum aan kennis moeten hebben over het dossier waarover zij commentaar geven. Het stadsbestuur in een persbericht beschuldigen een slecht PRUP te hebben opgemaakt is daarom te grof voor woorden.

De eerste P in PRUP staat immers voor provinciaal en niet voor gemeente of stad. Het is dus de provincie en niemand anders die dit PRUP voor de gevangenis opmaakt en er ook de verantwoordelijkheid voor draagt. En de verantwoordelijke gedeputeerde hier is een zekere Marc De Buck van Open VLD, een partijgenoot dus. Bovendien is de gouverneur die dit dossier tot heden met brio verdedigde een zekere André Denys, ooit een bekend liberaal parlementair.

Verder begint men ook nu weer in dit persbericht over de renovatie van de oude gevangenis, een idee dat door de regering van een zekere Guy Verhofstadt werd verworpen. Moet ik de Jong VLD vertellen welke politieke kleur die heeft?

De Dendermondse Jong VLD verstuurde in jaren geen persbericht meer en maakt er nu bij het verdedigen van de wat oudere knoeiende generatie eveneens een zootje van. Van de ‘blauwe’ jeugd zal men het dus blijkbaar ook niet moeten hebben. Triest. Erg triest.

Willy Van Damme

Persbericht Raldes over Nieuwe gevangenis

Toch onderzoek naar alternatieve locaties nodig voor een nieuwe gevangenis te Dendermonde

De stad Dendermonde en de provincie Oost Vlaanderen mogen milieueffectenonderzoek voor een nieuwe gevangenis niet beperken tot de locatie Oud Klooster en moeten ook andere locaties onderzoeken.

Om een nieuwe gevangenis in te planten is een volwaardige plan-MER met uitgebreid onderzoek naar alternatieve locaties nodig.

Ook het nulalternatief en daarbij aansluitend de renovatie en uitbreiding van de bestaande gevangenis moeten in het plan-MER worden onderzocht.

De ontsluiting van de locatie Oud Klooster moet veel grondiger worden onderzocht worden.

De doelstelling en verantwoording van het plan ontbreken nog.


Inleiding

Na de schorsing door de Raad van State (en de te verwachten vernietiging) van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening kleinstedelijk gebied Dendermonde, dat o.m. de bouw van een nieuwe gevangenis op de locatie Oud Klooster moet mogelijk maken, namen de stad Dendermonde en het provinciebestuur Oost-Vlaanderen alvast het initiatief om een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan voor te bereiden.

Door een wijziging van de wetgeving (als gevolg van Europese verplichtingen) zal bij een nieuw uitvoeringsplan ook een milieueffectenonderzoek moeten worden uitgevoerd. Kenmerkend aan dergelijk milieueffectenonderzoek bij een plan, een zgn. plan-MER, is dat ook alternatieven worden onderzocht voor de verschillende planopties[1].

Om alles snel te laten gaan wilden de stad Dendermonde en het provinciebestuur Oost-Vlaanderen volgens de nota voor publieke consultatie[2] het milieueffectenonderzoek echter beperken tot één locatie, die van het Oud Klooster. Volgens de stad Dendermonde en het provinciebestuur Oost-Vlaanderen zou er zelfs geen nulalternatief moeten worden onderzocht.

Voor de stad Dendermonde en het provinciebestuur Oost-Vlaanderen is de beslissing immers al genomen: de nieuwe gevangenis moet op die locatie komen. Terwijl die beslissing, indien men daarbij het algemeen belang zou respecteren, slechts kan genomen worden na het uitvoeren van een milieueffectenonderzoek waarbij ook de mogelijke alternatieven objectief en ernstig worden onderzocht.

Om er voor te zorgen dat een plan-MER zo volledig mogelijk wordt uitgevoerd en dat alle mogelijke aspecten worden onderzocht, moet de inhoud van het uit te voeren onderzoek vooraf aan een openbaar onderzoek worden onderworpen. Tijdens het openbaar onderzoek kunnen alle belanghebbenden voorstellen doen voor wat moet worden onderzocht. De stad en de provincie slaagden er echter in om dit onderzoek in volle vakantieperiode (en in alle stilte) te laten gebeuren zodat de belanghebbenden er slechts kennis van kregen nadat de termijn van het openbaar onderzoek was verstreken en zodat ze hun opmerkingen slechts enkele dagen na het einde van het openbaar onderzoek konden inbrengen.

Zoals het een echte democratie past heeft de bevoegde administratie echter ongeveer alle opmerkingen van het actiecomité en de vzw Raldes alsnog meegenomen bij het uitschrijven van de richtlijnen voor het uit te voeren plan-MER. Het uitvoeren van een goed en volledig milieueffectenonderzoek om nadien een goed beslissing te kunnen nemen staat immers in deze voorop.


Om een nieuwe gevangenis in te planten is een volwaardige plan-MER met uitgebreid onderzoek naar alternatieve locaties nodig.

Bij de afbakening van het kleinstedelijk gebied enkele jaren geleden werden een tiental mogelijke locaties voor een nieuwe gevangenis opgelijst en geëvalueerd op basis van een zeer oppervlakkig onderzoek.

Bij de opmaak van een plan-MER moet het al eerder uitgevoerde alternatievenonderzoeken volledig worden hernomen (zie kaartje als bijlage met aanduiding van de verschillende zoekzones).

De verschillende locaties dienen op een meer uitgebreide wijze besproken te worden in het plan-MER. De resultaten van deze onderzoeken moeten bovendien op een kritische wijze beoordeeld worden in het plan-MER.

Het zal bvb. niet meer volstaan om een bepaalde zoekzone uit te sluiten omwille de vorm van het perceel. In dergelijk geval moet nagegaan worden of ook niet de bouw van een gevangenis volgens een niet klassiek patroon mogelijk is.

In ieder geval moet op het gebied van alternatievenonderzoek een uitgebreid onderzoek gebeuren van de zoekzone N41-west, alsook van de zoekzone N41-oost. In de nota van 3 november 2009 met de richtlijnen voor het plan-MER[3] wordt daarover het volgende gesteld.

‘In de plan-MER dient onderzocht te worden of deze locatie toch niet weerhouden kan worden als een “redelijk alternatief”. Dit onderzoek kan gebeuren aan de hand van een uiteenlopende waaier van criteria, maar het is essentieel dat daarbij ook milieucriteria gehanteerd worden. Er dient dus zeker een vergelijking gemaakt te worden tussen de site “Oud Klooster” en de site “N41-West” op basis van milieucriteria, als onderdeel van het onderzoek of de site N41-West weerhouden moet worden als “redelijk alternatief”. Indien uit dit onderzoek (op basis van milieucriteria) moest blijken dat de locatie niet beschouwd kan worden als een “redelijk alternatief”, dan dient dit uitdrukkelijk en uitgebreid gemotiveerd te worden in het plan-MER. In dat geval dient de locatie niet verder onderzocht te worden in het plan-MER. In dat geval dient wel minstens in het plan-MER bij de beschrijving van deze locatie een beperkte -veelal kwalitatieve- inschatting gegeven te worden van (negatieve) milieueffecten die de vestiging van de gevangenis op deze locatie kan hebben.

Ook “zoekzone 6: N41-Oost” dient specifiek behandeld te worden in het plan-MER, op dezelfde wijze zoals hierboven beschreven voor de zone N41-West.’

Verder wordt in de nota gesteld:

‘In het plan-MER moet dus duidelijk een hoofdstuk “alternatievenonderzoek” aanwezig zijn met minstens de hierboven gevraagde inhoud. Dit hoofdstuk moet een duidelijk, transparant en gemotiveerd besluit hebben wat betreft de in het plan-MER voor onderzoek te weerhouden “redelijke alternatieven”. Bij de bespreking van de ontwerptekst van het plan-MER zal dit locatiealternatievenonderzoek nauwlettend onderzocht worden qua motivering. Op basis van die afweging kan in het plan-MER dus besloten worden dat enkel de locatie Oud Klooster weerhouden wordt, maar mogelijk kan eventueel ook nog besloten worden om nog een andere locatie als volwaardig alternatief te onderzoeken in het plan-MER.’

Deze bepaling is duidelijk een vingerwijzing aan de initiatiefnemers dat ze niet moeten denken er vanaf te komen met een schijnonderzoek, laat staan om het MER-onderzoek te manipuleren in functie van de volgens hen al vaststaande beslissing.

Enkel objectieve argumenten kunnen dienen om geen alternatieven te onderzoeken en tot op heden hebben noch de stad noch de provincie objectieve argumenten kunnen aanvoeren om geen alternatieven te onderzoeken, integendeel. Uit de beschikbare gegevens blijkt zeer duidelijk dat de locatie Oud Klooster helemaal niet de beste locatie is voor een eventuele nieuwe gevangenis en dat de door de stad en provincie aangehaalde argumenten niet deugdelijk zijn om geen alternatieve locaties te onderzoeken.

Ook het nultarief en daarbij aansluitend de renovatie en uitbreiding van de bestaande gevangenis moeten in het plan-MER worden onderzocht.

In het MER moet ook het nulalternatief worden onderzocht waarbij de bestaande gewestplanbestemmingen voor de locatie Oud Klooster behouden blijven. De huidige gewestplanbestemming is voor het overgrote deel woonuitbreidingsgebied. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan werd aangegeven dat het woonuitbreidingsgebied niet verder zal ontwikkeld worden zodat het nultarief grotendeels overeenkomt met het behoud van de bestaande situatie (open ruimte met landbouw- en natuurfunctie).

Aansluitend met het nulalternatief moet ook de renovatie en uitbreiding van de bestaande gevangenis worden onderzocht. In de voornoemde nota wordt daarover het volgende gesteld.

‘In de nota voor publieke consultatie wordt gesteld dat de bestaande gevangenis te Dendermonde niet meer voldoet aan de noden van vandaag en dat een uitbreiding op de huidige locatie niet mogelijk is. In het plan-MER zou echter nog op een meer uitgebreide wijze gemotiveerd moeten worden waarom een renovatie en uitbreiding van het bestaande gevangenisgebouw niet als “redelijk alternatief” beschouwd kan worden. Deze beschrijving dient verder te gaan dan louter te stellen dat de huidige gevangenis onveilig en verouderd is, en te weinig comfort heeft, gezien een renovatie net tot doel heeft om hieraan te verhelpen. Ook de stelling dat een renovatie niet mogelijk is gezien de gevangenis een beschermd monument is, is op zich onvoldoende gezien die voorschriften van die bescherming niet in steen gebeiteld zijn. De fundamentele bezwaren tegen die renovatie en uitbreiding dienen dus geschetst te worden. Indien besloten wordt dat de renovatie van de gevangenis niet als een redelijk alternatief beschouwd kan worden, dan dient deze optie niet verder onderzocht te worden in het plan-MER op zijn milieueffecten. Bij de bespreking van de ontwerptekst van het plan-MER zal deze motivatie uitdrukkelijk getoetst worden.

In de toekomst zou het bestaande gevangenisgebouw blijkbaar mogelijk toch nog gebruikt worden als jeugdgevangenis. In het plan-MER dient verklaard te worden waarom het bestaande gebouw niet aangepast kan worden tot gevangenis, maar wel tot jeugdgevangenis.’

Ook hier worden de stad en provincie uitdrukkelijk gewaarschuwd dat de renovatie en uitbreiding van de bestaande gevangenis slechts op basis van objectieve en deugdelijke argumenten kan worden achterwege gelaten als mogelijk alternatief. En tot op heden zijn die objectieve en deugdelijke argumenten duidelijk niet voorhanden.

Ook de ontsluiting van locatie Oud Klooster moet veel grondiger onderzocht worden.

In de nota voor publieke consultatie werd door de stad en de provincie aangegeven dat de gevangenis zou worden ontsloten via een nieuw aan te leggen weg langs het noorden die zou aansluiten op bestaande wegen ter hoogte van de Oude Denderloop.

Momenteel is er vanuit de site Oud Klooster echter geen verbinding voor autoverkeer met het gebied ten noorden van de Oude Denderloop (enkel voor fietsers en voetgangers over de dam tussen de Oude Denderloop en de nieuwe Dender die op termijn terug zou worden weg gegraven) en kan er bijgevolg ook daar niet worden aangesloten op bestaande wegen.

De betreffende weg (Tragel) ten noorden van de Oude Denderloop is bovendien slechts een (smal) jaagpad langsheen de nieuwe Dender dat op vandaag zeker niet voorzien is voor (doorgaand) autoverkeer en voor de ontsluiting van de geplande gevangenis. De bermen van het bestaande jaagpad staan op de biologische waarderingskaart aangeduid als een complex van biologisch minder waardevolle en zeer waardevolle elementen. In functie van de ontsluiting van de gevangenis is minstens een verbreding van het jaagpad tot aan de Gentse steenweg nodig.

In de nota met de richtlijnen voor het uit te voeren milieueffectenonderzoek is opgelegd dat ook dit aspect veel grondiger moet worden onderzocht.

Daarbij moet rekening worden gehouden met het plan om de Oude Denderloop terug open te maken voor pleziervaartuigen, zodat de ontsluiting van de gevangenis op termijn via een brug over de Oude Denderloop zou moeten gebeuren. Ook de effecten daarvan, met inbegrip van de effecten op het beschermd landschap van de Oude Denderloop en op de bestaande biologisch waardevolle taluds langsheen het jaagpad, moeten in het MER worden onderzocht.

‘ Ook de exacte locatie en inrichting van de geplande nieuwe noordelijke ontsluitingsweg dienen in detail beschreven en op kaart getoond te worden, hoewel deze weg strikt gezien niet helemaal tot het plangebied behoort.

./..

Ook het al dan niet bouwen van een brug over de Oude Denderloop dient meegenomen te worden als ontwikkelingsscenario en is relevant voor de discipline “landschap”. Indien tijdens het opstellen van de plan-MER nog andere ontwikkelingsscenario’s op de voorgrond zouden treden dienen deze ook meegenomen te worden.

./..

De nieuwe noordelijke ontsluitingsweg kruist de Oude Denderloop, wat een beschermd landschap is. Mogelijk zal een brug over die Oude Denderloop aangelegd worden. De impact van zulk een brug en de ontsluitingsweg op het beschermd landschap dient beschreven en beoordeeld te worden.’

Doelstelling en verantwoording van het plan.

Last but not least moeten ook de doelstelling van het plan en de verantwoording daarvoor in het plan-MER worden omschreven.

‘Het plan-MER dient het PRUP ook zeker te kaderen ten aanzien van de hogere en eerder gevoerde planningsprocessen, i.e. op welke manier vormt het plan een uitvoering van deze planningsprocessen en hoe verhoudt dit plan zich tot deze planningsprocessen. Het verband en de overeenstemming met het RSV, RSP van de provincie Oost-Vlaanderen en het GRS van Dendermonde dienen zeker beschreven te worden.’

En hier zou het schoentje nog wel het meest van al kunnen knellen.

Noch het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen , noch het provinciaal ruimtelijke structuurplan noch het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voorzien immers in de bouw van een nieuwe gevangenis te Dendermonde. In het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Dendermonde is zelfs voorzien om de site Oud Klooster van bebouwing te vrijwaren en als open groene ruimte te bewaren.

In de mate dat een ruimtelijk uitvoeringsplan slechts uitvoering kan geven aan een structuurplan, kan ook een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan geen nieuwe gevangenis verantwoorden. Daarvoor is minstens ook een wijziging van het structuurplan nodig, ons inziens op niveau van het Vlaams gewest en van het structuurplan Vlaanderen aangezien het hier over de een federale bevoegdheid gaat.

De taakstelling voor een nieuwe gevangenis behoort immers duidelijk niet tot de bevoegdheid van de provincie, noch tot de bevoegdheid van de stad.

In een recent radio-interview[4] naar aanleiding van de huur van een aantal gevangeniscellen in Nederland verklaarde Walter Van Steenbrugge, gerenommeerd strafpleiter en deskundige ter zake, dat het geen goed idee is om nieuwe gevangenissen te bouwen en dat indien bestaande gevangenissen goed worden gebruikt er geen nieuwe gevangenissen nodig zijn.

Maar blijkbaar is er met de bouw van nieuwe gevangenissen zoveel geld gemoeid dat sommigen zich al verkneukelen in het profijt dat ze daarbij kunnen doen.

En zodat niet de beste oplossing voor de bevolking op de eerste plaats komt maar wel de projecten waarbij zeer veel overheidsgeld over de balk kan gaan.

Ook in dit dossier met een fanatisme dat men zich moet afvragen of men de toestand in de bestaande gevangenissen moedwillig laat verkommeren om op die wijze een alibi te hebben om de bouw van nieuwe gevangenissen te verantwoorden.

Besluit

Het actiecomité Oud Klooster en de vzw Raldes zijn zeer tevreden dat hun vragen en opmerkingen volledig werden meegenomen in de richtlijnen voor het uit te voeren milieueffectenonderzoek.

Ze rekenen er dan ook op dat de stad en de provincie deze richtlijnen ter harte nemen en eindelijk werk maken van een grondig en objectief milieueffectenonderzoek waarbij de verschillende alternatieven zonder enige vooringenomenheid op een objectieve en evenwaardige wijze worden onderzocht en naast elkaar worden gezet.

En op basis waarvan vervolgens gekozen wordt voor de beste oplossing voor de bevolking, ook als dat niet de bouw van een nieuwe gevangenis op de site Oud Klooster is.

Tot slot daarbij de volgende publieke vraag aan de betrokken politici van de stad en de provincie. Meer bepaald of zij bereid zijn om als uit het plan-MER blijkt dat de bouw van een nieuwe gevangenis op het Oud Klooster niet de beste oplossing is, alsnog van deze plannen af te zien.


Bijlage: gewestplan met aanduiding van de zoekzones

clip_image002

1. Hoogveld;

2. Schippersdijk;

3. Mandekensstraat-noord;

4. N41-West;

5. N41-Oost;

6. Dendermondsesteenweg-oost (Lebbeke);

7. Dendermondsesteenweg-west (Lebbeke);

8. Vondelbeek;

9. Oud Klooster.

(bron: toelichtingsnota van november 2007 bij het provinciaal RUP afbakening kleinstedelijk gebied Dendermonde)


[1] In tegenstelling met een project-MER bij een bouwvergunning of een milieuvergunning voor een concreet project waarbij geen alternatieve locaties worden onderzocht.

[2] Zie http://www.mervlaanderen.be/uploads/merkennis1325.pdf

[3] Zie http://www.mervlaanderen.be/uploads/merricht1325.pdf

[4] http://internetradio.vrt.be/radiospeler/v2_prod/wmp.html?qsbrand=11&qsODfile=/media/audio/r1pepigevangenis051109

Actiecomité Oud Klooster – Persbericht 01.12.2009

 

De Raad van State vernietigde het PRUP Dendermonde West waardoor er nu geen uitvoeringsplan meer bestaat dat de inplanting van een nieuwe gevangenis op het Oud Klooster moest mogelijk maken. Het actiecomité Oud Klooster krijgt hierdoor over de hele lijn gelijk. Ondertussen is bekend dat Stad en Provincie via de opmaak van een nieuw PRUP de gevangenis op het Oud Klooster alsnog willen doordrukken. Hoe gaat het nu verder ?

Om alles in de juiste context te kunnen plaatsen is het goed om even terug te blikken.

Het actiecomité werd in 2004 opgericht nadat we in kennis werden gesteld over de inplanting van een nieuwe gevangenis te Dendermonde op het ‘Oud Klooster’, een open en groen gebied in Dendermonde. Het actiecomité is gekant tegen de bouw van een dergelijk groot gebouwencomplex in een historisch waardevolle kouter met verschillende toeristische fiets- en wandelroutes. Met een petitie (1227 handtekeningen), een burgerinitiatief (1139 handtekeningen) voor tussenkomst op de gemeenteraad en het verzamelen van vele bezwaarschriften (1641) hebben we herhaaldelijk bewezen dat er geen maatschappelijk draagvlak is voor deze inplantingsplaats.

Jarenlang hebben we geprobeerd om de verschillende overheidsdiensten met objectieve argumenten te overtuigen maar vonden daar weinig of geen gehoor, wat wij ten zeerste betreuren. Onze klachten betreffen onder andere de verstrekkende gevolgen voor het milieu, de aantasting van de open ruimte en de leefkwaliteit, de verkeersontsluiting, de enorme lichtpollutie, het onveiligheidsgevoel, de visuele hinder voor de omwonenden…. Ook eerder uitgevoerde studies hadden al aangetoond dat het Oud Klooster zeker niet de meest gunstige plaats was voor de bouw van een gevangenis en dit in tegenstelling tot andere locaties. Stadsbestuur en provincie hielden weinig of geen rekening met onze argumenten, noch met de stem van de bevolking. Naar de Raad van State stappen was onze enige uitweg en dat de Raad van State ons in deze argumentatie is gevolgd en de vernietiging heeft bevolen, bewijst dat onze grieven belangrijk en terecht zijn. Van al de neergelegde bezwaren vond de Raad van State de verkeersproblematiek reeds ernstig genoeg om tot vernietiging over te gaan. De andere argumenten werden zeker niet verworpen.

Van in het begin hadden wij de indruk dat de stad een duidelijke voorkeur had voor het Oud Klooster, deze locatie absoluut naar voor wilde schuiven en alles in het werk stelde om deze locatie te pushen.

Uit diverse stukken is immers gebleken dat het stadsbestuur het Oud Klooster reeds als voorkeurslocatie bestempelde nog vóór het sutdiebureau Grontmij zijn locatiestudie voorstelde (8 oktober 2004). Dit wordt met zoveel woorden gezegd in het besprekingsverslag van het projectteam van 16 april 2004 en in een besluit van het schepencollege van 13 juli 2004.

Bij het doornemen van onze documentatie ter voorbereiding van de procedure voor de Raad van State stelden we verder tot onze verbazing vast dat er van éénzelfde locatiestudie twee versies bestaan. Beide versies zijn gedateerd op 8 oktober 2004 en zijn nagenoeg identiek. In de eerste versie wordt één locatie als ‘zeer gunstig’ beoordeeld (N41-West); zes locaties krijgen de beoordeling ‘minder gunstig’ (waaronder Oud Klooster) en twee de beoordeling ongunstig. In de tweede versie worden twee locaties als gunstig beoordeeld (N41-West en Oud Klooster), vijf als minder gunstig en twee als ongunstig.

Blijkbaar was het de bedoeling om in de tweede versie de zoekzone Oud Klooster een evaluatie te geven die aansloot bij die van de zoekzone N41-West, en dit door de zone N41-West minder goed te beoordelen (van ‘zeer gunstig’ naar ‘gunstig’). De zoekzone Oud Klooster werd op haar beurt opgewaardeerd van minder gunstig naar gunstig. Dit lijkt de

enige bedoeling te zijn van het opmaken van de tweede versie, aangezien de documenten voor het overige niet van elkaar verschillen. Bovendien bevat de aangepaste versie nog enkele niet aangepaste restanten van de oorspronkelijke tekst (zo staat op pagina 41 nog dat de locatie ‘Oud Klooster’ als ‘minder gunstig’ werd geëvalueerd, wat niet in overeenstemming is met pagina 35 waar staat dat de zoekzone Oud Klooster als ‘gunstig’ wordt beoordeeld). Bij inzage van het dossier bij de Raad van State wordt bovendien vastgesteld dat de Deputatie en het Vlaams Gewest elk verschillende versies van de locatiestudie voorleggen. Het Vlaams Gewest legt de eerste versie neer, de Deputatie de tweede versie. Later wordt in een schrijven van 1 december 2004 van de stad, gericht aan het provinciebestuur, zelfs een duidelijk advies gegeven: Oud Klooster: zeer gunstig en N41-West: ongunstig. Volgens de oorspronkelijke versie van de locatiestudie was de evaluatie echter andersom !

In de context van de locatie voor de gevangenis roept ook de afbakening van het kleinstedelijk gebied vragen op. Uit de toelichtingsnota van november 2007 PRUP afbakening kleinstedelijk gebied Dendermonde (p. 82) blijkt dat de N41 als duidelijke grens van afbakening wordt vooropgesteld, wat maakt dat de ‘zeer gunstige’ locatie N41-West binnen het kleinstedelijk gebied valt. Kaart 43 toont echter een grillige grenslijn die de afbakeningslijn uit de toelichting niet volgt. Hierdoor komt de locatie N41-West ‘toevallig’ buiten het kleinstedelijk gebied te liggen.

De Raad van State heeft nu de vernietiging van het PRUP Dendermonde uitgesproken.

Stad en Provincie zijn bezig met de opmaak van een nieuw RUP. In dit kader dient er een Milieu effecten rapport (Mer) opgemaakt te worden. Tegen de wijze waarop de stad en provincie dit wilden opmaken hebben wij eveneens bezwaren ingediend. Dat deze door Vlaamse administratie in de richtlijnen voor de opmaak van een Mer grotendeels werden weerhouden, sterkt ons in onze overtuiging dat onze argumenten tegen het Oud Klooster als bouwplaats niet uit de lucht gegrepen zijn en objectieve gronden hebben.

Wij willen nogmaals beklemtonen dat we zeker niet gekant zijn tegen de bouw van een nieuwe gevangenis in Dendermonde, maar we blijven ervan overtuigd dat de locatie ‘Oud Klooster’ ongeschikt is. Aanpassingen aan de ontsluiting, tegemoetkomingen wat betreft geluid- en lichtpollutie, nemen de kern van onze bezwaren niet weg. Alle recente moderne gevangenissen (bijv. in Hasselt, Puurs, Brugge) zijn toegankelijk via een primaire weg. Een halsstarrig vasthouden aan het Oud Klooster als locatie voor de nieuwe gevangenis vinden we dan ook onbegrijpelijk.

Wij hebben sterk de indruk dat de stad ons met een schuldgevoel wil opzadelen en haar falen in dit dossier wil afschuiven op het actiecomité. Dit vinden wij onrechtvaardig. Wij wijzen er op dat wij van in 2004 reeds hebben gewaarschuwd voor de slechte locatiekeuze. Men had toen de verantwoordelijkheid moeten opnemen en op zoek gaan naar een andere locatie. Als Dendermonde het recht om een nieuwe gevangenis te bouwen dreigt te verliezen, dan ligt dit aan foutieve beslissingen uit het verleden en vooral ook aan het feit dat men op geen enkel moment deze fouten heeft willen rechtzetten ondanks de duidelijke signalen die vanuit verschillende kanten werden gegeven.

Wanneer wij blijven wijzen op de tekortkomingen van het Oud Klooster als locatie voor een nieuwe gevangenis doen wij dit vanuit het algemeen belang en de beslissingen van de Raad van State tonen aan dat onze bezwaren legitiem zijn. Het is pijnlijk dan te moeten vaststellen dat er mensen zijn die verklaren dat wij lijden aan het NIMBY-syndroom (not in my backyard – niet in mijn achtertuin) …zeker wanneer blijkt dat deze mensen wonen in de omgeving van de plaats die volgens de locatiestudie zeer gunstig was voor de inplanting van een nieuwe gevangenis. Even misleidend zijn de berichten dat er anders op het Oud Klooster 800 woningen komen, terwijl dit gebied als woonuitbreidingsgebied in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan geschrapt werd.

Het vernietigingsarrest van de Raad van State, de richtlijnen van de Mer-cel voor de opmaak van een milieueffectenrapport en de steunbetuigingen van vele sympathisanten moedigen ons aan om in dit dossier onze verantwoordelijkheid te blijven nemen. Wij blijven ijveren voor het behoud van het Oud Klooster als waardevol groengebied in de onmiddellijke omgeving van de stadskern. Wij vragen dan ook voor de zoveelste keer aan Stad en Provincie dat ook zij hun verantwoordelijkheid willen nemen en op zoek gaan naar een ander locatie.

Het actiecomité Oud Klooster

‘DRINGENDE BOUWAANVRAAG voor NIEUWE GEVANGENIS’

ACV Dendermonde

ACW Dendermonde

ACV Openbare Diensten

Persmededeling – 21/11/2009

clip_image001

De christelijke arbeidersbeweging betreurt ten zeerste de beslissing van de Raad van State. Voor de tewerkstellingskansen in de streek is dit een zware opdoffer. In de huidige financiële en economische crisis dreigt de regio een toekomstperspectief voor vele werkzoekenden te verliezen. Méér nog: dit vormt een reële bedreiging voor de job van vele werknemers.

Het is een goede zaak dat de provincie reeds maandenlang bezig is met de opmaak van een nieuw ruimtelijk uitvoeringsplan. Wij roepen het stadsbestuur van Dendermonde en het provinciebestuur op om alles in het werk te stellen opdat dit nieuwe plan zo snel mogelijk afgewerkt en uitgevoerd wordt.

In dit kader betekent de goedkeuring door de Vlaamse Regering gisteren van de locatiekeuze een belangrijke stap.

Aan de federale regering vragen wij om resoluut te blijven kiezen voor de nieuwe gevangenis op het grondgebied van Dendermonde. Onze stad moet immers de hoofdplaats van het gerechtelijk arrondissement blijven, en daar hoort een gevangenis bij!

Tevens lanceren we een oproep aan alle andere sociale partners om op elk niveau de inplanting van de nieuwe gevangenis te Dendermonde te ondersteunen.

Oud Klooster of niets

De christelijke arbeidersbeweging beseft dat de tijd dringt. De procedures om het nieuwe uitvoeringsplan voor de locatie Oud Klooster te finaliseren zullen duren tot eind 2010. Dit is een vertraging met één jaar. Wetende dat de nieuwe gevangenis nadien toch wellicht 100 à 150 jaar moet functioneren, is dat ene jaar vertraging slechts een klein uitstel.

Elke andere locatie dan het Oud Klooster zou een totaal nieuwe procedure van zo’n drie à vier jaar tot gevolg hebben. Dit is te lang want de oude gevangenis is er nu al zo slecht aan toe en barst uit haar voegen. De minister van justitie wil zijn masterplan voor de gevangenissen zo snel mogelijk realiseren.

Het is dan ook duidelijk: ofwel komt de nieuwe gevangenis aan het Oud Klooster, ofwel zal de nieuwe penitentiaire instelling buiten Dendermonde komen te liggen. En dat laatste kan de christelijke arbeidersbeweging niet aanvaarden.

In tegenstelling tot wat dikwijls verklaard wordt, was deze zone niet voorbestemd om een “groene long” te worden. Het ‘Oud Klooster’ was ingekleurd als woonuitbreidingsgebied, met een grootte van 15 hectaren. Voor de nieuwe gevangenis wordt 10 hectaren grond voorzien; de resterende 5 hectaren worden groengebied. De inplanting van een nieuwe gevangenis zorgt dus voor méér groen, dan de bouw van enkele honderden (ongeveer 800!) woningen.

Zorgt een gevangenis voor overlast?

De gevangenis in de St-Jacobstraat zorgt niet voor méér overlast dan een ander overheidsgebouw. Buurtbewoners getuigden daar al meermaals over.

Veel omwonenden van het ‘Oud Klooster’ vrezen overlast in de nabije straten.

Met de christelijke arbeidersbeweging vinden we het daarom heel belangrijk dat de verkeersafwikkeling via een dijkweg langsheen de Dender zou verlopen. De plannen voor de herwaardering van de oude Dender moeten hiermee rekening houden. Met andere woorden: er moet een brug gebouwd worden als de oude Dender opnieuw toegankelijk gemaakt wordt voor de pleziervaart.

Toch nog even aanstippen dat een gevangenis minder verkeer zal veroorzaken dan 800 nieuwe woningen!

Een gevangenis zorgt voor tewerkstelling in de streek.

Werknemers in de regio van Dendermonde zijn van oudsher vaak pendelaars. Wie werk zoekt is dikwijls aangewezen op een job verder van huis: Brussel, Antwerpen, Gent, … ‘Werk in eigen streek’ is voor de arbeidersbeweging dan ook al jarenlang een actiepunt. We steunen daarom ook de inspanningen van de intercommunale DDS in de uitbouw van industrieterreinen, waaronder het ‘Hoogveld’.

Omdat de tewerkstellingsmogelijkheden al beperkt zijn, is de inplanting van een nieuwe gevangenis erg belangrijk. Deze zorgt rechtstreeks én onrechtstreeks voor heel wat jobs. In de huidige gevangenis bijvoorbeeld zijn 110 personen tewerkgesteld, waarvan 84 als bewakingspersoneel. Onrechtstreeks worden ook banen in de dienstverlenende sector gecreëerd: toelevering, horeca, allerlei rechtsinstanties, …

Het verdwijnen van de gevangenis uit Dendermonde zal zonder twijfel een impact hebben op de aanwezigheid van het gerechtelijk apparaat in de stad en dus ook op de directe én indirecte tewerkstelling.

Een gevangenis zorgt voor een antwoord op de vraag naar gerechtigheid.

Recente gebeurtenissen bij Justitie roepen bij mensen vragen op omtrent de strafuitvoering. De bouw van nieuwe gevangenissen moet deels een antwoord geven op deze bekommernissen.

Daarnaast leidt de overbevolking tot onmenselijke en zelfs gevaarlijke situaties voor gevangenen en cipiers. Voor het ministerie van Justitie heeft de bouw van een nieuwe gevangenis in onze provincie dan ook de hoogste prioriteit. Hiervoor werden al enige tijd de nodige budgetten gereserveerd. Omwille van de tewerkstellingskansen rekent de christelijke arbeidersbeweging er op dat de inplanting in Dendermonde plaats vindt.

Vlaamse Regering behoudt mogelijkheid voor nieuwe gevangenis in Dendermonde

Persbericht Dendermonds stadsbestuur 

De Vlaamse Regering besliste deze voormiddag om Dendermonde – samen met Beveren –  als locatie voor een nieuwe gevangenis te behouden.

 

Burgemeester Piet Buyse (CD&V): “De afgelopen weken en dagen hebben we vanuit alle partijen – uitgezonderd OpenVLD – ons best gedaan om de Vlaamse Regering te overtuigen om de mogelijkheid voor een nieuwe gevangenis in Dendermonde te behouden. De Vlaamse Regering besliste vandaag om ons te volgen in dit standpunt wat ons de mogelijkheid geeft om het lopende PRUP verder te ontwikkelen.”

Schepen van ruimtelijke ordening Bart Van Malderen (sp.a): “Het stadsbestuur zal samen met het provinciebestuur dan ook alles in het werk stellen om dit belangrijk project in Dendermonde te houden. Wij danken iedereen, en de Vlaamse Regering in het bijzonder, die bijgedragen heeft om de toekomst van onze stad veilig te stellen”.

20 November 2008

Persbericht Cd&V, NV-A en SP.A over nieuwe gevangenis

Dendermonde, 19 november 2009

PERSBERICHT

De 24 uur van Dendermonde

Open VLD Dendermonde steunt de oproep naar de hogere overheden niet!
Op de Dendermondse gemeenteraad van woensdag 18 november 2009 brachten Hans Michiels (CD&V/NV-A) en Niels Tas (SP.A) namens de meerderheidsfracties de problematiek rond de bouw van een nieuwe gevangenis in Dendermonde naar voor.

De Raad van State vernietigde immers definitief het PRUP ‘Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde’ omwille van de rechtsonzekerheid door de twee mogelijke ontsluitingswegen die in het plan stonden.

De aanwezigheid van een gevangenis in Dendermonde, en dit werd door alle politieke
fracties reeds beaamd, is van het allergrootste belang voor de gerechtelijke, economische en algemene toekomst van onze stad.

Het antwoord van het schepencollege op de gestelde vragen was zeer duidelijk: er blijft de facto slechts één mogelijke locatie over voor Dendermonde, nl. het Oud Klooster.

Om de gevangenis in Dendermonde te kunnen behouden wordt intussen hard gewerkt aan de opmaak van een nieuw PRUP, de MER-procedure is momenteel lopende. De provinciegouverneur gaf deze week opnieuw te kennen vol in te zetten op dit dossier in Dendermonde.

Voor CD&V/NV-A en SP.A is het duidelijk: de tijdsdruk neemt toe, het uur van de
waarheid is aangebroken. Omdat naar alle waarschijnlijkheid de Vlaamse
regering dit punt vrijdag aanstaande behandelt, resten er de stad Dendermonde
dus nog 24 uur om haar troeven uit te spelen.

Vanuit de meerderheid werd een oproep gelanceerd om de kracht van de voltallige
gemeenteraad in te roepen in een laatste poging de gevangenis op ons grondgebied te
behouden. Alle oppositiepartijen sprongen meteen in de bres, behalve de Open VLD. Zij lieten de oproepen tot partijoverschrijdende frontvorming onbeantwoord.

De houding van deze partij in dit dossier is onbegrijpelijk: tijdens het debat in de vergadering bleek duidelijk dat er voor Dendermonde geen alternatief bestaat. Het is het Oud Klooster, of het is niets!

Het schepencollege neemt alvast wel zijn verantwoordelijkheid en verstuurt vandaag naar alle ministers van de Vlaamse regering en fractieleiders in het Vlaams Parlement een brief met een ultieme poging de kracht van het dossier in Dendermonde duidelijk te maken.

Meer informatie bij:
Hans Michiels 0476 76 86 07 hmichiels@scarlet.be
Niels Tas 0474 48 60 42 niels.tas@skynet.be

Arrest Raad van State – Vernietiging RUP kleinstedelijk gebied Dendermonde – gevangenis – 4 november 2009

X-13.822-1/25
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
A R R E S T
nr. 197.616 van 4 november 2009
in de zaak A. 188.748/X-13.822.
In zake: 1. Marleen PELEMAN
2. Ann VAN KEER
3. Jo VERBRUGGHEN
4. Francine VAN DEN BOSSCHE
5. Hans VAN KEER
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter
kantoor houdend te 1000 BRUSSEL
Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
1. de provincie OOST-VLAANDEREN
2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse
regering
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Veerle Tollenaere
kantoor houdend te 9000 GENT
Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
de stad DENDERMONDE
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Peter De Smedt
kantoor houdend te 9000 GENT
Kasteellaan 141
bij wie woonplaats wordt gekozen
—————————————————————————————————
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 27 juni 2008, strekt tot de nietigverklaring
van het besluit van 12 december 2007 van de provincieraad van Oost-
Vlaanderen houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk
uitvoeringsplan “Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied
Dendermonde” en van het besluit van 28 april 2008 van de Vlaamse minister van
Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring, met
X-13.822-2/25
uitzondering van de in blauw aangeduide delen, van dit provinciaal ruimtelijk
uitvoeringsplan van de provincie Oost-Vlaanderen, bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad van 15 mei 2008.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 187.898 van 13 november 2008 is de vordering tot
schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd.
De verwerende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting
van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord
ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord
ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst
ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 februari 2009. De
tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie en
een verzoek tot voortzetting ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft
plaatsgevonden op 2 oktober 2009.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verzoekende
partijen, Marc Cromheecke, waarnemend directeur, die verschijnt voor de eerste
verwerende partij, advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de tweede
verwerende partij, en advocaat Peter De Smedt, die verschijnt voor de tussenkomende
partij, zijn gehoord.
X-13.822-3/25
Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend
advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der
talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen selecteert Dendermonde
als een “structuurondersteunend kleinstedelijk gebied”. Zodanige gebieden dienen
in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen te worden afgebakend.
3.2. In zitting van 28 maart 2002 beslist de deputatie van de
provincieraad van Oost-Vlaanderen tot de opmaak van het provinciaal ruimtelijk
uitvoeringsplan “Afbakening kleinstedelijk gebied Dendermonde” (hierna: PRUP).
3.3. In dit plan wordt ook de inplanting van een nieuw penitentiair
complex voorzien.
De site “Oud Klooster”, die aanvankelijk niet werd opgenomen
in de afbakening van het kleinstedelijk gebied, wordt, naast andere, als mogelijke
inplantingszone aangeduid.
Deze site bevindt zich ten westen van Dendermonde, in een gebied
dat wordt begrensd door een spoorweg in het zuiden, de Dender in het westen en het
noorden en een oud fortencomplex in het oosten. Op de Dender sluiten het
Denderkanaal en een oude Denderarm aan.
Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan
Dendermonde is de site gelegen, deels in landschappelijk waardevol agrarisch
gebied, deels in woongebied, deels in woonuitbreidingsgebied, deels in gebied voor
gemeenschapsvoorzieningen, deels in recreatiegebied en deels in parkgebied.
In het zuidwesten wordt het plangebied begrensd door de
zogenaamde “Boonwijk”, omvattende de straten Klein Gent, Gasthuisstraat,
Meersstraat, Eikelstraat, Oud Klooster en Galeidestraat.
Voor de beide als meest gunstige locaties aangewezen sites, met
name “Oud Klooster” en “N41”, stelt zich een probleem van ontsluiting. Om reden
dat de inplanting van de gevangenis op laatstgenoemde site “technisch en financieel
waarschijnlijk moeilijker te realiseren is dan in de site Oud Klooster”, wordt beslist
de voorkeur te geven aan de site “Oud Klooster”.
X-13.822-4/25
Aanvankelijk wordt de locatiegeschiktheid van de site “Oud
Klooster” gekoppeld aan het niet afwikkelen van het verkeer via de straten van de
Boonwijk. Een nieuwe ontsluiting via het Denderkanaal wordt voorgesteld.
Omwille van de kostprijs van deze laatste ontsluitingsmogelijkheid
wordt uiteindelijk voorgesteld de afwikkeling van het verkeer te laten verlopen
via de Gasthuisstraat.
Hierop is de ontwerper overgegaan tot een “milieubeoordeling”,
waarin, met betrekking tot de verkeerstoename ingevolge de voorziene inplanting
van een gevangenis, wordt gesteld wat volgt:
“Er zijn geen verkeerstellingen beschikbaar van het kruispunt Galeidestraat-
Klein Gent met de Gasthuisstraat. Een inschatting van de afwikkelingsmogelijkheden
van het gegenereerd verkeer richting centrum Dendermonde is dan ook
niet mogelijk”.
3.4. Het voorontwerp van PRUP wordt vervolgens onderworpen aan
adviezen.
De afdeling Ruimtelijke Planning stelt dat er nog een “aanvullende
toelichting nodig is met betrekking tot mogelijke problemen nabij de spoorwegovergang
op de Paardentrapstraat”.
De GECORO stelt dat, wanneer er zou worden van uitgegaan dat
de Gasthuisstraat het bijkomend verkeer inderdaad aankan, de mogelijke ontsluiting
via het noorden minstens open moet worden gehouden.
Het college van burgemeester en schepenen van de stad
Dendermonde stelt wat volgt:
“De ontsluiting van de gevangenis dient normaal voorzien te worden via het
Denderkanaal. Deze oplossing wordt echter afgewezen omdat ze te duur zou
zijn. Alle alternatieven hebben als nadeel dat ze via woonstraten en knelpunten
voor het verkeer moeten gaan. Daarom geven wij de voorkeur aan de Galeidestraat
omdat op deze manier de Gasthuisstraat niet worden belast”.
Aanvullend vraagt de gemeenteraad om een aanvullende
mobiliteitsstudie.
3.5. De plenaire vergadering vindt plaats op 21 mei 2007.
3.6. In zitting van 13 juni 2007 stelt de provincieraad van
Oost-Vlaanderen het ontwerp van PRUP voorlopig vast.
X-13.822-5/25
De site “Oud Klooster” wordt aangeduid als een randstedelijk
groengebied, met uitzondering van een zone voor gevangenis in het zuidwesten,
tussen de woningen aan de Gasthuisstraat en de oude Denderarm. De ontsluiting
wordt indicatief aangeduid door een pijl in de richting van de Eikelstraat. Bedoeling
is dat het verkeer nadien via de Gasthuisstraat wordt afgeleid naar het centrum van
Dendermonde.
3.7. Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 16 juli
2007 tot en met 13 september 2007, dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift
in.
Met verwijzing naar verkeerstellingen aan de Paardentrapstraat
onder controle van een gerechtsdeurwaarder wordt onder meer gewezen op de
niet-wenselijkheid van een ontsluiting via de woonstraten van de Boonwijk.
3.8. In zitting van 8 november 2007 oordeelt de PROCORO, wat
betreft de bezwaren inzake de impact op het verkeer in de Paardentrapstraat, dat het
gaat om een bestaand probleem waaraan de gevangenis niets zal veranderen omdat
het overgrote deel van het verkeer buiten de spitsuren plaats vindt. Het ontwerp
wordt gunstig geadviseerd met enkele voorstellen tot wijziging.
3.9. Op 12 september 2007 verleent de minister volgend advies over
het ontwerpplan:
“Overwegende dat de provincie binnen het deelplan ‘Dendermonde West’
de ontsluiting regelt voor de nieuwe gevangenis; dat deze ontsluiting ook
invloed heeft op de omliggende wijk; dat deze invloed niet volledig wordt
uitgeklaard in de toelichtingsnota”.
3.10. Bij het eerste bestreden besluit van 12 december 2007 stelt de
provincieraad van Oost-Vlaanderen het PRUP “Afbakening structuurondersteunend
kleinstedelijk gebied Dendermonde” met de deelRUP’s “Grenslijn” en “Dendermonde
West” definitief vast.
3.11. In vergelijking met het ontwerp PRUP voorziet het definitief
vastgestelde PRUP in een bijkomende indicatieve ontsluiting voor de gevangenis
langsheen de rechteroever van de Dender. De groenzone tussen de gevangenis en de
spoorweg wordt niet behouden.
Voor de “zone voor gevangenis” gelden volgende stedenbouwkundige
voorschriften:
X-13.822-6/25
“3.1. Bestemming:
1.4. deze zone is bestemd voor de inplanting van een gevangenis.
Het gaat over de gebouwen en diensten in functie van een
gevangenis en bijhorende accommodatie zoals buitenruimtes,
parkeerterreinen, afsluitingen
3.2. Gebouwen en constructies
• alle gebouwen en constructies die noodzakelijk zijn voor het
functioneren van de gevangenis zijn toegelaten
• de gebouwen en constructies worden ingeplant op minstens
10,00m van de zonegrens. De hoogte van de gebouwen en de
constructies bedraagt maximaal de afstand ten opzichte van de
zonegrens (45/ regel)
• de gebouwen en aanhorigheden worden zoveel mogelijk in het
westen van de deelzone ingeplant, waarbij echter rekening
gehouden dient te worden met de aanwezigheid van een hoogspanningsleiding
• de niet bebouwde delen van de zone kunnen ingericht worden als
open ruimte bij de gevangenis. De noodzakelijke parkeerplaatsen
worden hierbij samengebracht op één parkeerterrein in de
nabijheid van de hoofdontsluiting voor de gevangenis
• bij de inplanting van de gevangenis en de inrichting van het
terrein worden maatregelen genomen om de lichthinder voor het
randstedelijk groengebied en de omliggende woningen te
beperken
• de delen van de zone die niet bruikbaar zijn voor de gevangenis
en haar aanhorigheden worden ingericht als onderdeel van het
randstedelijk groengebied”.
3.12. Op 4 april 2008 stuurt de deputatie van de provincieraad van
Oost-Vlaanderen aan de minister een rappelbrief.
3.13. Bij het tweede bestreden besluit van 28 april 2008 keurt de
Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het PRUP
“Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde” goed, met
uitzondering van de in blauw aangeduide delen.
Dit besluit overweegt onder meer wat volgt:
“Overwegende dat de provincie binnen het deelplan ‘Dendermonde-West’
de ontsluiting regelt voor een nieuwe gevangenis; dat deze ontsluiting naar
aanleiding van de adviezen en bezwaren tijdens het openbaar onderzoek werd
gewijzigd omwille van de invloed op de omliggende wijk; dat met name aan de
westzijde een bijkomende ontsluitingsmogelijkheid is voorzien tot aan de oude
Dender teneinde een ‘noordelijke ontsluiting’ mogelijk te maken; dat de interne
wegen nu indicatief worden aangeduid; dat de toelichtingsnota hierover geen
bijkomende uitleg verschaft; dat naar aanleiding van bovenvernoemd M.B. van
12 september 2007 en op advies van de PROCORO het deelplan voor de
gevangenis werd aangepast en de zone voor gevangenis is uitgebreid tot tegen
de spoorwegberm; dat wordt vastgesteld dat slechts weinig inrichtingsprincipes
zijn opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften; dat naar aanleiding
van het openbaar onderzoek wordt gesteld dat de gevangenis aan de westzijde
X-13.822-7/25
van het gebied moet worden gesitueerd; dat anderzijds voor de inrichting van
(delen) van het gebied een inrichtingsstudie wordt opgelegd; dat het derhalve
aan de vergunningverlener is om de concrete inrichtingsvoorstellen te beoordelen”.
3.14. Dit ministerieel besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad van 15 mei 2008.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Standpunt van de partijen
4.1. De verzoekende partijen stellen met betrekking tot de
ontvankelijkheid van hun beroep wat volgt:
“30. Het voorliggend verzoekschrift bestrijdt het P.R.U.P. in zijn geheel.
31. De verzoekende partijen putten hun belang evenwel in het bijzonder uit
de wijze waarop het P.R.U.P. een keuze maakt voor de locatie van een nieuw
penitentiair complex.
32. Niettemin verzoeken zij uw Raad toch in hoofdorde om de schorsing en
nietigverklaring van het volledige P.R.U.P.
Het P.R.U.P. regelt immers in de eerste plaats de afbakeningslijn van het
SKSG Dendermonde. Het P.R.U.P. legt de locatie Oud-Klooster, met de
begrenzing die hoger werd geformuleerd (gebied tussen de spoorweg, de forten
en de Dender ( in het stedelijk gebied, wat maakt dat er een stedelijk beleid kan
worden gevoerd. De afbakening van het gebied kan gevolgen hebben voor
meerdere toekomstige ontwikkelingen, en dit zowel op gemeentelijk,
provinciaal als gewestelijk vlak.
Zoals hoger werd aangetoond gingen de eerste voorstellen er van uit dat het
gebied, behoudens de woonstrook langs de Gasthuisstraat, buiten het stedelijk
gebied zou worden gehouden. Juist mede omdat het gebied een nieuwe
gevangenis dient te huisvesten werd het opgenomen in het stedelijk gebied. Dit
heeft de PROCORO met zoveel woorden gesteld in het kader van de bespreking
van het bezwaarschrift van de verzoekende partijen (…):
‘Oud Klooster wordt opgenomen in het stedelijk gebied om een deel van
het stedelijk programma te kunnen realiseren, op de eerste plaats het
randstedelijk groengebied en bijkomend de nieuwe gevangenis’.
Indien bijgevolg de nieuwe gevangenis niet op deze plaats kan komen, is het
niet langer zeker dat het gebied binnen het stedelijk gebied dient te vallen.
Anderzijds blijkt uit het voorgaande dat de locatie N41-west als een ‘zeer
gunstige’ locatie voor de vestiging van de gevangenis werd beschouwd. Indien
na schorsing en vernietiging van de bestreden beslissing de locatiekeuze wordt
geëvalueerd, hebben de verzoekende partijen er belang bij dat de grenslijn van
het stedelijk gebied nog niet vaststaat. De locatie N41-west is immers door het
bestreden P.R.U.P. buiten het stedelijk gebied gesitueerd.
De verzoekende partijen hebben dan ook een belang bij de vernietiging van
de grenslijn.
Aangezien de bepaling van de grenslijn voor het P.R.U.P. één en ondeelbaar
is, dient de grenslijn in haar geheel geschorst en vernietigd te worden.
X-13.822-8/25
In de opvatting van de verzoekende partijen hangen alle andere deelplannen
op onlosmakelijke wijze vast aan het deelplan inzake de grenslijn, zodat dit
onvermijdelijk ook de schorsing en vernietiging van die andere plannen met
zich meebrengt”.
4.2. De eerste verwerende partij werpt op dat het beroep voor zover het
ook de nietigverklaring van de afbakening van het stedelijk gebied (deelplan 1)
omhelst, niet ontvankelijk is. Zij zet deze exceptie uiteen als volgt:
“2.1. Verzoekende partijen bestrijden het provinciaal RUP ‘Afbakening
Structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde’ in zijn geheel,
ondanks dat hun belang volledig geput wordt uit de locatie van de nieuwe
gevangenis, die geregeld wordt in het deelplan Dendermonde-West.
Zij stellen daaromtrent dat een gunstig alternatief voor de locatie van de
gevangenis, ‘N41- West’ is, maar dat deze locatie door het bestreden PRUP
buiten het stedelijk gebied gesitueerd wordt, waardoor de kans dat na een
eventuele vernietiging van het PRUP, de gevangenis alsnog op deze alternatieve
plaats gelokaliseerd zal worden, bijzonder klein is.
Zij menen m.a.w. dat de kans dat de gevangenis niet komt waar zij nu
voorzien is, groter wordt als ook de afbakening van het stedelijk gebied
vernietigd wordt.
Zoals de auditeur in het verslag met betrekking tot de vordering tot
schorsing, opmerkte, moet het belang zoals vereist door artikel 19 van de
gecoördineerde wetten op de Raad van State voldoende zeker en rechtstreeks
zijn en is dat niet het geval voor wat betreft de afbakening van het stedelijk
gebied.
Het rechtstreeks karakter van het belang houdt in dat er een direct of
rechtstreeks causaal verband tussen het nadeel en de bestreden beslissing moet
bestaan, terwijl de eis dat het belang zeker moet zijn, inhoudt dat een eventueel
of louter potentieel belang niet volstaat.
De afbakening van het stedelijk gebied is nodig om de inplanting van een
gevangenis te kunnen voorzien, maar impliceert op zich niet dat er
daadwerkelijk een gevangenis ingeplant moet worden. Er is dan ook geen
voldoende rechtstreeks causaal verband tussen de afbakening van het stedelijk
gebied en het door verzoekers gevreesde nadeel van de gevangenis.
Voorts is het niet omdat huidig beroep door Uw Raad ingewilligd zou
worden, dat de keuze tussen de verschillende locaties zoals naar voorgeschoven
tijdens het planproces, terug aan de orde zal zijn”.
4.3. De tweede verwerende partij werpt op dat de verzoekende partijen
enkel belang hebben bij het bestrijden van het deelplan “Dendermonde West”. Zij
zetten deze exceptie uiteen als volgt:
“6. De verzoekende partijen verklaren hun belang ‘in het bijzonder (te
putten) uit de wijze waarop het PRUP een keuze maakt voor de locatie van een
nieuw penitentiair complex’. Zij vragen de vernietiging van het volledige
PRUP.
In beginsel kan worden gesteld dat de opdeling van een afbakeningsplan in
deelplannen naast de vastlegging van de grenslijn een partiële vernietiging,
X-13.822-9/25
beperkt tot het kwestieuze deelplan mogelijk maakt zonder afbreuk te doen aan
de algemene economie van het plan (…).
In wezen betrachten de verzoekers met hun verzoek tot vernietiging van het
integrale plan, de kwestie van de afbakening van het kleinstedelijk gebied door
middel van de vaststelling van de grenslijn open te houden voor het geval, na
een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest, de locatie van de in te
planten gevangenis opnieuw moet worden geëvalueerd met mogelijks gevolgen
buiten de thans goedgekeurde afbakening.
Dergelijk belang is niet in overeenstemming met het belang zoals vereist
door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat een
voldoende zeker en rechtstreeks belang vereist in hoofde van een verzoekende
partij.
Het belang waarop zij zich beroepen om de optie te vrijwaren om elders, in
dit geval buiten de thans goedgekeurde afbakening, de nieuwe gevangenis te
lokaliseren, is onvoldoende zeker en onrechtstreeks.
De verzoekende partijen maken onvoldoende concreet aannemelijk dat zij
belang hebben bij de vernietiging van het integrale plan”.
4.4. De tussenkomende partij werpt in haar memorie tot tussenkomst
eenzelfde exceptie op.
4.5. In hun laatste memorie laten de verzoekende partijen
dienaangaande nog gelden wat volgt:
“Er valt met name niet in te zien waarom het grievend karakter van het
afbakeningsplan niet afdoende zou vast staan door het feit dat dit plan het juist
mogelijk maakt dat het deelplan Dendermonde-West tot stand komt, waarbij dit
deelplan hen duidelijk grieft.
Het gaat hier om twee beslissingen die tegelijk genomen worden, waarbij één
van de twee beslissingen onbetwistbaar de verzoekende partijen grieft, en de
andere beslissing een noodzakelijke voorwaarde is om die ene beslissing te
kunnen nemen. Dit is wel degelijk een voldoende belang. De verzoekende
partijen hoeven niet aan te tonen dat de opname in het stedelijk gebied hen op
zich, dus zonder verdere uitvoering, grievend is.
In dezelfde redenering zou immers ook het deelplan Dendermonde-West niet
grievend zijn. Het is immers maar een plan, dat op geen enkele wijze
rechtstreeks een invloed heeft op de woonomgeving van de verzoekende
partijen. Maar dit plan maakt op zich wel het verlenen van een vergunning voor
de bouw van een gevangenis mogelijk, en die bouw is wel grievend. Juist om
die reden hebben de verzoekende partijen wél een belang bij de vernietiging van
het deelplan Dendermonde-West. Er valt dan ook niet in te zien waarom ze
geen belang zouden hebben bij de vernietiging van de afbakeningslijn, nu dit op
zich het deelplan Dendermonde-West mogelijk maakt.
Het feit dat de middelen ingeroepen worden tegen die afbakening op zich
belet niet dat de verzoekende partijen wel degelijk een belang hebben bij de
vernietiging van die afbakening.
Zoals afdoende werd aangetoond is de opname van het oud klooster binnen
het stedelijk gebied juist het gevolg van de beslissing om de gevangenis daar te
vestigen, waarbij die beslissing geconcretiseerd werd in het deelplan
Dendermonde-West. De middelen die in de bestreden beslissing gericht zijn
tegen die beslissing hebben dan ook zowel betrekking op het deelplan
Dendermonde-West als op het deelplan afbakeningslijn”.
X-13.822-10/25
Beoordeling
4.6. Het afbakeningsplan (deelplan 1) vormt een noodzakelijke
voorwaarde voor het vaststellen van het deelplan 2 “Dendermonde West”. De beide
plannen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De verzoekende partijen doen derhalve blijken van het rechtens
vereiste belang bij de vernietiging niet alleen van het deelplan 2 “Dendermonde
West”, maar ook van het deelplan 1 “Grenslijn” dat de vaststelling van het deelplan
2 mogelijk maakt.
4.7. De excepties kunnen niet worden aangenomen.
V. Onderzoek van de middelen
Tweede middel
Standpunt van de partijen
5.1. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending
aan van het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk
bestuur,
“Doordat, de bestreden beslissing een zone voorziet voor de inplanting van
een gevangenis, waarbij de ontsluiting via twee indicatieve aanduidingen in het
plan wordt weergegeven
Terwijl, aangezien de ontsluitingsmogelijkheden van het gebied één van de
kernbekommernissen was en diende te zijn bij de totstandkoming van het
R.U.P. dat de locatie van een nieuwe gevangenis bepaalt, het plan de ontsluiting
op een rechtszekere wijze dient te regelen.
TOELICHTING
39. Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt dat de ontsluitingsproblematiek één
van de voornaamste bekommernissen was bij de keuze voor de
inplanting van een nieuwe gevangenis.
Voor zover dit niet voor de hand ligt, kan worden gezegd dat dit uit
vele elementen blijkt:
• Het is één van de elementen geweest waaraan de locatiestudie
aandacht besteed;
• Wanneer er in de verschillende voorbereidende vergaderingen over
de inplanting van de gevangenis wordt gesproken, gaat de discussie
zowat uitsluitend daarover;
• Het advies van de gewestelijke planologische ambtenaar van
10 november 2004 stelt met zoveel woorden dat ‘de
verkeersontsluiting voor de nieuwe gevangenis een belangrijke
randvoorwaarde vormt bij de evaluatie van zoeklocaties’;
• Het was één van de aandachtspunten bij de ‘milieubeoordeling’;
X-13.822-11/25
• Het bezwaarschrift van de verzoekende partijen had grotendeels
daarop betrekking;
• …
De ontsluitingsmogelijkheid is bij uitstek een ruimtelijk aspect. De
omvang van de hinder die aan de ontsluiting ten grondslag ligt dient in
de eerste plaats met ruimtelijke ingrepen te worden beperkt. De wijze
van exploiteren van de gevangenis heeft hier omzeggens geen invloed
op.
40. Uw raad heeft reeds meermaals benadrukt dat voor dergelijke
primordiale hinderaspecten het plan zelf met een rechtszekere
oplossing dient te komen.
Uw Raad stelde in het kader van een B.P.A. dat de overheden ‘aan de
op hen rustende zorgvuldigheidsplicht tekortkomen, indien zij wel
vaststellen dat het plan aanleiding kan geven tot het ontstaan van
hinder, doch nalaten daarvoor op een rechtszekere manier een
oplossing te bieden’. Deze rechtspraak werd, in een kort geding arrest,
bevestigd voor wat betreft provinciale R.U.P.’s.
41. In deze creëert het bestreden R.U.P. geen rechtszekere oplossing voor
het probleem van de ontsluiting.
Enerzijds voorziet het plan in twee mogelijke hoofdontsluitingen. De
keuze voor de concreet te gebruiken hoofdontsluiting wordt
vooruitgeschoven, en zal moeten beoordeeld worden in het kader van
de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning.
Anderzijds zijn die hoofdontsluitingen slechts indicatief aangegeven.
De voorschriften bepalen uitdrukkelijk dat de bepaling van het juiste
tracé dient te worden bepaalt bij het verlenen van de
stedenbouwkundige vergunning, en dit op een zeer expliciete wijze. De
voorschriften bepalen letterlijk dat
‘Het tracé voor de hoofdontsluiting wordt zo gekozen dat de weg
zo weinig mogelijk het functioneren van het randstedelijk
groengebied verstoort. Het exacte tracé wordt vastgelegd bij de
aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning voor de gevangenis
of bij de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning van de
nieuwe hoofdontsluiting’
42. De problematiek van de ontsluiting is bijgevolg niet op een
rechtszekere wijze geregeld in het P.R.U.P.”.
5.2. De eerste verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt:
“3.2.1. In het tweede middel stellen verzoekers dat de keuze voor twee
indicatief aangeduide ontsluitingswegen het zorgvuldigheids- en
rechtzekerheidsbeginsel schendt, aangezien de ontsluiting net een
kernbekommernis zou zijn.
3.2.2. In het schorsingsarrest sluit uw Raad zich hierbij aan door te stellen
dat de ontsluiting van de ‘zone voor gevangenis’ een noodzakelijk gegeven is
dat in het plan zelf op een rechtszekere wijze dient te worden vastgesteld. Dat
is niet het geval nu het ontsluitingsvraagstuk geregeld is middels de indicatieve
aanduiding van het tracé en de twee mogelijke ontsluitingswegen, waarbij
indien één ontsluiting reeds bestaat en een nieuwe wordt aangelegd, de
bestaande nog slechts mag worden gebruikt als ‘noodweg’.
Zoals bij de bespreking van het eerste middel reeds opgeworpen werd, is de
bepaling van artikel 38, §1, 2/ van het decreet van 18 mei 1999 heel wat
soepelder dan de bepaling met betrekking tot de vroegere bijzondere plannen
van aanleg die oplegt dat een BPA op zijn minst de gedetailleerde bestemming
X-13.822-12/25
van de gebiedsdelen, het tracé van alle in het bestaande verkeerswegennet te
brengen wijzigingen en de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en
de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de
binnenplaatsen en tuinen, moet aangeven. Het nieuwe planinstrumentarium
werd dan ook ingevoerd om te kunnen streven naar een meer duurzame
ruimtelijke ontwikkeling (cf. art. 4 DOR0), die vaak meer gediend is door een
zekere mate van flexibiliteit, waarbij ruimte gegeven wordt voor toekomstige
behoeften die op het ogenblik van vaststelling van een plan nog niet volledig
duidelijk zijn. Het kan niet de bedoeling zijn om via een ver doorgedreven
toepassing van het rechtzekerheidsbeginsel terug te keren naar het door de
decreetgever afgeschafte oude planinstrumentarium (…).
Aangezien het bovendien om een provinciaal RUP gaat, is er in tegenstelling
tot in het geval van een BPA, geen vrijstelling van openbaar onderzoek bij de
vergunningsaanvragen. De vergelijking door verzoekende partijen met het arrest
(…), gaat dus niet op.
Flexibiliteit houdt in essentie in dat er niet meer elementen vastgelegd
worden dan nodig zodat er ruimte blijft om in te spelen op onzekere
toekomstige ontwikkelingen. De essentie van rechtszekerheid houdt in dat de
regels kenbaar en duidelijk moeten zijn. Rechtszekerheid vereist dus niet dat
alles in detail geregeld zou moeten worden of dat over alle onderwerpen strikte
voorschriften uitgevaardigd moeten worden. Flexibiliteit en rechtszekerheid
sluiten elkaar dus niet uit (…).
Nazicht van de rechtspraak van de Raad van State in verband met
rechtszekerheid bij ruimtelijke uitvoeringsplannen, leert dat er tot nu toe twee
soorten problemen waren die tot de conclusie leidden dat het beginsel van
rechtszekerheid geschonden werd, namelijk een gebrek aan maximale
begrenzing (vb. bij de oppervlakte van een kavel) ofwel een tijdens de opmaak
van het plan vastgestelde problematiek waarvoor geen oplossing geboden wordt
(…).
In casu wordt gesteld dat de problematiek van ontsluiting onvoldoende
rechtszeker geregeld wordt door twee mogelijke ontsluitingswegen te voorzien,
waarmee dit dossier aanleunt bij de tweede soort arresten inzake
rechtszekerheid bij RUPs.
Het arrest Nijs (…) gaat over ernstige milieuproblemen waarvoor de
oplossing uitgeschoven werd naar een later tijdstip, ook al kon dit een
herziening van het betrokken plan vergen. Het arrest Rodenbach en Supply (…)
gaat over de vastgestelde behoefte aan een nieuwe toerit die helemaal niet
geregeld wordt in het RUP.
In deze zaak is er nood aan ontsluiting voor de geplande gevangenis en
werden de mogelijkheden daartoe grondig onderzocht. De mogelijke ontsluiting
langs de Gasthuisstraat werd door de provincie als aanvaardbaar bevonden.
Gelet op de bezwaren tijdens het openbaar onderzoek werd een alternatieve
ontsluitingsmogelijkheid ook mee opgenomen, om een andere mogelijke optie,
die blijkbaar minder gevoelig ligt, ook open te houden. De reden waarom in het
plan zelf de knoop niet doorgehakt werd, is dat beide mogelijkheden, na
onderzoek, even aanvaardbaar bleken te zijn. Toch een bepaalde keuze
doordrukken, was volstrekt onnodig vanuit het oogpunt van een goede
ruimtelijke ordening en zou betekenen dat een bepaalde mogelijkheid onnodig
uitgesloten werd. In het kader van flexibele planning, is net dat wat vermeden
moet worden.
In tegenstelling tot de aangehaalde arresten wordt in het bestreden RUP dus
wel degelijk een oplossing geboden voor de problematiek van de ontsluiting. De
voorschriften zijn ook voldoende rechtszeker, want voldoende duidelijk en
kenbaar. De ontsluiting gebeurt ofwel via de Gasthuisstraat ofwel aan
noordelijke zijde langsheen de rechteroever van de Dender en niet elders.
Weliswaar biedt dit voor verzoekende partijen niet de geruststelling dat de
X-13.822-13/25
ontsluiting niet via de Gasthuisstraat zal gebeuren, maar het is eigen aan
procedures inzake ruimtelijke ordening dat pas een stedenbouwkundig(e)
vergunning definitief uitsluitsel geeft over wat er precies gerealiseerd zal
worden op het perceel. Dit niet erkennen, zou betekenen dat de discretionaire
bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid volledig uitgehold wordt.
Voorts kan nog opgemerkt worden dat vroeger in de gewestplannen heel wat
industriegebieden ingekleurd werden, waarbij de voorschriften zich beperkten
tot artikel 7 van het KB van 28 december 1972, zonder dat de problematiek van
de ontsluiting nader geregeld werd. Hoewel de discretionaire
beoordelingsmarge van de vergunningverlenende overheid i(n) die gevallen veel
groter is, werd dit niet strijdig met het rechtszekerheidsbeginsel bevonden.
Uit de rechtspraak van de Raad van State en het besluit van de Vlaamse
regering van 11 april 2008 tot vaststelling van de nadere regels met betrekking
tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, blijkt
bovendien dat een inrichtingsstudie wel toelaatbaar is, terwijl een
inrichtingsstudie betekent dat de concrete inrichting van een gebied overgelaten
wordt aan de vergunningsaanvrager en aan de beoordeling van de
vergunningverlenende overheid en niet in het RUP zelf geregeld wordt.
Het is dan ook zeer de vraag waarom in casu het overlaten van de keuze
tussen beide alternatieven van ontsluitingswegen aan de vergunningsaanvrager
en de beoordelingsbevoegdheid van de vergunningverlenende overheid, wel een
schending van het rechtzekerheidsbeginsel zou inhouden.
Enkel indien zou blijken dat de provincie een beoordelingsfout zou gemaakt
hebben en het vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening onredelijk
is om één van beide mogelijkheden toe te laten, kan het betrokken voorschrift
betwist worden.
Het feit op zich, dat er twee mogelijke ontsluitingen voorzien worden, kan
niet problematisch zijn en vormt geen schending van het
rechtszekerheidsbeginsel.
De exacte ligging werd inderdaad niet bepaald, wat logisch is, aangezien ook
de exacte inplanting van de gevangenis, evenals de concrete inrichting van het
randstedelijk groengebied niet vastgelegd werd in het RUP. Het tracé van de
wegen is overigens een aspect dat door de decreetgever niet verplichtend
opgelegd wordt als onderdeel van een RUP”.
5.3. De tweede verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt:
“16. Waar het Coördinatiedecreet bepaalt dat een BPA gedetailleerde
voorschriften moet bevatten, is in het DRO nergens voorzien dat de
stedenbouwkundige voorschriften ‘gedetailleerd’ moeten zijn. Het was de
bedoeling van het DRO om de ruimtelijke planologie flexibiliteit te verlenen.
Uit artikel 38 §1 DRO volgt dat een RUP een grafisch plan moet bevatten,
met de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming,
de inrichting en/of het beheer. In de memorie van toelichting wordt benadrukt
dat een RUP niet steeds alle hierboven vermelde soorten voorschriften moet
bevatten. Een plan kan zich op een bepaald moment beperken tot voorschriften
met betrekking tot het aspect bestemming zonder dat iets over het beheer wordt
bepaald (Memorie van toelichting, Parl. St. Vl. Parl. 1998-1999, nr. 1332/1,23).
Een overheid beschikt aldus over een vrij ruime discretionaire bevoegdheid
inzake de detaillering van een RUP. De DRO is gericht op een grotere
flexibiliteit. Een extreem flexibele invulling van een bestemmingsvoorschrift
kan vlugger rechtsonzekerheid meebrengen dan de invulling van de inrichtingsen
beheersvoorschriften (…).
X-13.822-14/25
Rechtszekerheid houdt in dat regels kenbaar en duidelijk zijn. Uit de vereiste
van rechtszekerheid mag niet afgeleid worden dat een RUP per definitie erg
gedetailleerd zou moeten zijn, of dat het over alle mogelijke onderwerpen
strikte voorschriften zou moeten bevatten (…).
De Raad van State heeft reeds in zijn rechtspraak bevestigd dat het
rechtszekerheidbeginsel niet belet dat de voorschriften van de ruimtelijke
ordeningsplannen flexibel kunnen zijn.
17. Het tweede middel sluit in grote mate aan bij het eerste. Er wordt dan ook
naar dit randnummer 10 verwezen om aan te duiden dat de voorschriften van
de RUP’s flexibel kunnen zijn.
In dit tweede middel wordt door de verzoekende partijen aangevoerd dat de
ontsluiting van de zone voor een gevangenis niet voldoende zorgvuldig en
rechtszeker zou zijn geregeld. Dit is een aspect dat de inrichting van het gebied
omvat en niet de bestemming.
18. Krachtens artikel 38, § 1, 2/ DRO bevat een ruimtelijk uitvoeringsplan
de bij elk gebiedsdeel horende stedenbouwkundige voorschriften inzake
bestemming, de inrichting en/of het beheer.
19. Artikel 5 van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt in het eerste
deel (5.1.) de bestemming van de zone en in het andere deel (5.2.) de
inrichtingsvoorschriften :
(…)
Onder ‘bestemming’ worden voorschriften begrepen over het al dan niet
toegelaten zijn van bepaalde functies en activiteiten in een gebied. De
bestemming van de zone voor gevangenis en de locatie van de gevangenis
wordt niet betwist. De bestemming van de grond als ontsluiting evenmin :
enerzijds als ontsluitingsweg, anderzijds als noodweg.
Wel wordt door de verzoekende partijen de inrichting van de wegen betwist :
nl. de keuze voor het tracé van de hoofdontsluiting.
De voorschriften van ‘inrichting’ zoals bedoeld in artikel 38 DRO houden
voorschriften in over de ordening van een gebied waar bepaalde functies en
activiteiten toegelaten zijn, en voorschriften over ‘morfologie en uitzicht
(beeldwaarde)’ van gebieden. Deze voorschriften hebben dus betrekking op
‘hoe’ de activiteiten of functies hun plaats krijgen in de ruimte.
Het aspect ‘ordening’ betekent onder meer dat via voorschriften de
ruimtelijke voorwaarden kunnen worden gecreëerd voor een goede
ontwikkeling van de functies en activiteiten die in een bepaald gebied
toegelaten zijn. Voorbeelden hiervan zijn voorschriften over kavelgroottes,
ontsluiting door wegeninfrastructuur, ecologische infrastructuur, buffering,
bebouwingsvrijhouden van bepaalde zones, ….
De Raad van State lijkt in het arrest (…) te vertrekken van het gegeven dat
het concrete tracé van de ontsluitingsweg als een bestemmingsvoorschrift moet
worden beschouwd. Dit is volgens de verwerende partij niet correct.
Zoals vermeld, dienen in een PRUP helemaal geen inrichtingsvoorschriften
te worden voorzien. Enkel bestemmingsvoorschriften volstaan. In dat geval zou
het in ieder geval aan de vergunningverlenende overheid zijn geweest om
zonder enige (richt)norm de goede ruimtelijke ordening en plaatselijke aanleg
te beoordelen (…). Dit is volledig vergelijkbaar met het gewestplan, waarin zo
goed als nooit inrichtingsvoorschriften werden voorzien. Zo werd in verband
met de algemene bestemming ‘woongebied’ nooit gesteld dat dit
rechtsonzekerheid zou meebrengen.
20. Oorspronkelijk werden bepaalde wegen in het PRUP ingekleurd en
andere als indicatief aangeduid.
Over dit aspect stelde de PROCORO :
‘Op dit ogenblik zijn enkel de nog niet bestaande ontsluitingen indicatief
weergegeven, de bestaande wegen werden ingekleurd. In principe is er geen
bezwaar tegen de indicatieve aanduiding van alle wegen, voor zover de filosofie
X-13.822-15/25
van het Randstedelijk groengebied gerespecteerd wordt. Men kan ook het
stedenbouwkundig voorschrift en de grafische voorstelling van de bestaande
wegen weglaten, wel moet er zekerheid gegeven worden dat de woningen langs
Oud Klooster bereikbaar blijven. Doorgaande wegen lopen niet door het gebied
dat bovendien verder onbebouwd blijft. In het kader van soepele planning lijkt
deze suggestie verdedigbaar.’
Deze suggestie werd gevolgd door de provincieraad. Alle wegen worden
thans als indicatief aangegeven.
Er worden twee – en slechts twee – mogelijke tracés voor de hoofdontsluiting
voorzien. Het tracé moet uiteindelijk zo worden gekozen dat de weg zo weinig
mogelijk het functioneren van het randstedelijk groengebied verstoort.
Rechtszekerheid houdt in essentie in dat regels kenbaar en duidelijk zijn.
Waar de ontsluitingsweg komt te liggen, is kenbaar en duidelijk. Het is voor
de vergunningverlenende overheid niet mogelijk om om het even waar de
ontsluiting te voorzien.
(…)
Door de mogelijke ontsluiting te beperken tot twee tracés, kunnen de
verzoekende partijen in redelijke mate de gevolgen voorzien van het PRUP. De
aan de vergunningverlenende overheid toebehorende discretionaire bevoegdheid
blijft binnen redelijke grenzen, door de keuze van het tracé te beperken tussen
twee ontsluitingswegen.
De opgenomen richtnormen in het PRUP, waarbij aan de
vergunningverlenende overheid een discretionaire bevoegdheid wordt verleend
om de aanvragen te beoordelen, is enkel een toepassing van de bevoegdheid
over de ruimtelijke ordening en plaatselijke aanleg, die bij de
vergunningverlenende overheid ligt (…). Het is immers steeds zo dat pas een
stedenbouwkundige vergunning definitief uitsluitsel geeft over wat precies en
concreet zal gerealiseerd worden op het perceel
21. De rechtspraak in het kader van het BPA, waarnaar de verzoekende
partijen verwijzen, is geenszins naar analogie over te nemen. Zoals hoger reeds
opgemerkt zal er bij het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning in casu
geen vrijstelling van openbaar onderzoek zijn, in tegenstelling tot wat het geval
is en was voor een BPA.
(…)
Tot slot moet ook bij dit middel nog eens worden gewezen op het feit dat bij
de beoordeling van de vergunningsaanvraag een openbaar onderzoek zal moeten
worden georganiseerd. De vrijstelling is enkel voorzien voor gemeentelijke
RUP’s”.
5.4. In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende
partijen:
“35. Noch de Deputatie, noch het Vlaams Gewest ontkennen dat, zoals
gesteld in het enig verzoekschrift, de ontsluitingsproblematiek één van de
voornaamste bekommernissen was bij de keuze voor de inplanting van een
nieuwe gevangenis, en dat dit bij uitstek een ruimtelijk aspect is.
36. Dit is ten zeerste van belang.
Het gaat hier niet zomaar om ‘een’ wegenis, of om de wegenis binnen een
bepaalde zone. Het gaat om ‘de’ ontsluiting van de site, die hetzij via het
oosten, via een woonwijk, hetzij via het noorden, doorheen een natuurgebied
moet gebeuren.
Om die reden heeft uw Raad, terecht, in het schorsingsarrest verwezen naar
noodzaak om op rechtszekere wijze de bestemming van het gebied te regelen.
Uw Raad stelde geenszins dat het voorschrift inzake de ontsluitingsweg een
X-13.822-16/25
bestemmingsvoorschrift is, maar wel dat de bepaling van de ontsluitingsweg
noodzakelijk in het plan moet worden voorzien omdat de bestemming zonder
die weg niet kan worden gerealiseerd.
Uw Raad stelde bij arrest DEBELVA (…) dat het rechtszekerheidsbeginsel
niet in het gedrang wordt gebracht indien de wegenis binnen een woonwijk op
indicatieve wijze wordt aangeduid in het specifieke geval dat dit indicatieve
karakter enkel tot gevolg heeft dat de exacte situering van die infrastructuren
niet vastligt, maar dat wel het type, het aantal en de locatie van elke weg en pad
in het netwerk bindend zijn, en dat daarvan niet (kan) worden afgeweken.
In de zaak DEBELVA lag de wegenis binnen een te ontwikkelen gebied vast,
alleen was het tracé blijkbaar nog niet met de nauwkeurigheid van een
rooilijnenplan bepaald. Er konden dus nog afwijkingen met enkele meters
doorgevoerd worden. Voor de rest lag zowat alles vast.
In de voorliggende zaak ligt niets vast. Alleen dat er een ontsluiting moet
komen, maar dat is nog nogal evident indien de gevangenis daar wordt
ingeplant.
De voorschriften zeggen niets over de materialen, over de breedte, over de
uitrustingsgraad van de weg, wat nochtans van belang is: een volledig uitgeruste
weg door het natuurgebied maakt dit gebied uitermate geschikt voor andere
functies. Verlichting van de weg kan bovendien storend zijn voor het
natuurgebied.
De ligging van de weg ligt evenmin vast. Ofwel via het noorden, ofwel via
het zuiden maar ook dat is evident omdat er gewoonweg geen andere
ontsluitingsmogelijkheden zijn.
En zelfs op die locaties legt het P.R.U.P. geen beperkingen op, nu de
ontsluiting enkel indicatief is aangeduid, en bijgevolg in alle mogelijke
richtingen kan verschuiven. Zo kan de noordelijke ontsluiting net langsheen de
Denderarm worden aangelegd, maar mogelijk op vijftig meter van die
Denderarm. Er ligt terzake gewoonweg niets vast.
37. Juist omdat het zo’n belangrijk aspect was moest het op planniveau door
de provincieraad worden geregeld.
Dit weerlegt ook het standpunt van de Deputatie en van het Gewest dat het
niet gaat om een verplicht onderdeel van het RUP: omdat het gaat om een
dergelijk essentieel onderdeel van het plan moest de Deputatie dit onderdeel wél
regelen.
38. Het past daarbij erop te wijzen dat beide ontsluitingen vanuit een ander
aandachtspunt problematisch zijn.
De oostelijke ontsluiting is, zoals aangevoerd in het enig verzoekschrift,
problematisch op het vlak van de leefkwaliteit van de bewoners van de
woonstraten waarop die ontsluiting aansluit.
Bij de consultatie van de stukken van het administratief dossier is daarnaast
gebleken dat het probleem voor de noordelijke ontsluiting niet zozeer gelegen
is in de kostprijs ervan (…), maar wel in het feit dat de weg het natuurgebied
hypothekeert (…).
Men kan dus niet zeggen dat de alternatieve noordelijke ontsluiting een
onbetwistbaar maar duur alternatief is dat open moet worden gelaten voor het
geval de goedkopere maar betwiste oostelijke ontsluiting na nader onderzoek
toch niet aanvaardbaar blijkt. De noordelijke ontsluiting zal andere vragen
oproepen inzake verstoring van het natuurgebied door licht, geluid en verkeer.
Die effecten op de natuur zijn op dit ogenblik op geen enkele wijze
onderzocht of aan enige vorm van inspraak onderworpen, aangezien de
alternatieve ontsluiting pas na het openbaar onderzoek opgevist werd.
Of de twee ontsluitingsmogelijkheden derhalve haalbaar zijn is bijgevolg op
dit ogenblik geenszins zeker. Het gaat dus niet om twee op zich aanvaardbare
ontsluitingen, maar om twee ontsluitingen waarvan de aanvaardbaarheid niet
zeker is.
X-13.822-17/25
De Deputatie geeft de keuze voor de beoordeling van die aanvaardbaarheid
uit handen, en koppelt ze los van de totstandkoming van het plan en de keuze
voor de inplanting van de gevangenis.
Hierdoor zal de vraag niet langer rijzen of de gevangenis op die locatie wel
op een aanvaardbare wijze kan worden ontsloten, maar zal enkel nog moeten
worden bepaald welke van de gekozen ontsluitingsmogelijkheden het best, of
beter het minst slecht, is.
Dit kan vanuit het rechtszekerheidsbeginsel niet worden aanvaard.
39. De vergelijking met de gewestplannen doet niet ter zake. Uw Raad heeft
recent ook een gewestplan getoetst aan de vereisten van rechtszekerheid. Uw
Raad vond met name dat een aanvullend bestemmingsvoorschrift voor een
ontginningsgebied dat voorziet in een nabestemming met een ‘evenwaardige
verweving van de functies recreatie en natuur op dezelfde plaats’ een
fundamentele onduidelijkheid vertoont voor wat betreft het gebruik dat na de
ontginning van het gebied kan worden gemaakt.
Dat de gewestplanvoorschriften doorgaans eveneens vaag zijn is juist, maar
ook bij een gewestplanwijziging was het uitgesloten dat een bepaald gebied
voor ontwikkeling werd vrijgegeven zonder dat het paalde aan een voldoende
uitgeruste weg”.
5.5. De tussenkomende partij laat met betrekking tot dit middel gelden
wat volgt:
“2.2.
De tussenkomende partij verwijst hoofdzakelijk naar haar verweer op het
eerste middel, meer specifiek de randnummers 1.2. en 1.3. van de onderhavige
memorie.
Voor alle duidelijkheid herneemt de tussenkomende partij samengevat haar
standpunt.
Volgens het RSV dient een PRUP tot afbakening van een kleinstedelijk
gebied enkel ‘de grenslijn of het grensgebied met de bijbehorende voorschriften
en desgevallend bestemmingswijzigingen voor specifieke locaties’ te bevatten
en ‘omzichtig, restrictief en nauwkeurig’ opgesteld te worden.
Luidens artikel 38, §1, 2/, van het DRO dient een RUP ‘de erbij horende
stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het
beheer’ te bevatten. Inrichtingsvoorschriften zijn dus geen noodzaak voor de
inhoud van een RUP, waarbij volgens de parlementaire voorbereiding
ontsluiting aanzien wordt als een inrichtingsvoorschrift.
In tegenstelling met het vroegere planningsinstrumentarium waarbij de
ontsluiting diende bepaald te worden, beslist elke bevoegde overheid autonoom
over de graad van detaillering van haar ruimtelijk uitvoeringsplan.
De decreetgever heeft er duidelijk voor gekozen ‘het tracé van alle in het
bestaande verkeerswegennet te brengen wijzigingen’ (cfr. artikel 13 en 14 van
het coördinatiedecreet) niet op te nemen als een noodzakelijke bepaling van een
ruimtelijk uitvoeringsplan.
Het subsidiariteitsbeginsel speelt niet enkel tussen de drie planningsniveaus,
doch ook tussen de drie planningsniveaus en de vergunningsverlenende
overheid. Minstens kan het planningsproces de opdracht van de
vergunningsverlenende overheid niet ondergraven, met name door het nagaan
of een concreet stedenbouwkundige aanvraag enerzijds bestaanbaar is met de
geldende bestemmingsplannen en verordeningen en anderzijds verenigbaar is
met de goede plaatselijke ordening.
X-13.822-18/25
Volgens het subsidiariteitsbeginsel dient de provinciale overheid zich bij de
opmaak van een provinciaal RUP te beperken tot hetgene dat behoort tot het
provinciale niveau.
Het besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de nadere regels met
betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen dd.
11 april 2008 bevestigt de ruime discretionaire bevoegdheid van de
planningsoverheid, waarbij enkel wordt opgelegd de verschillende
bestemming(en) van het gebied op te geven.
Stedenbouwkundige voorschriften zoals vermeld in artikel 38, §1, 2/ van het
DRO kunnen niet aanzien worden als strikte en strakke, uiterst eenduidige
regels die geen ruimte meer zouden mogen laten voor enige interpretatie,
appreciatie, of modaliteiten qua concrete toepassing op het terrein.
De doelstelling van ruimtelijke kwaliteit is niet steeds het best te bereiken via
al te starre planvoorschriften. Deze voorschriften dienen immers te kaderen in
de beginselbepaling van artikel 4 van het DRO, waarbij een duurzame
ruimtelijke ontwikkeling voorop wordt gesteld.
Ruimtelijke’ kwaliteit wordt beter bekomen via het inbouwen van een zekere
mate van flexibiliteit in de planvoorschriften.
Het rechtszekerheidsbeginsel heeft niet tot gevolg dat een RUP in het
algemeen en een RUP tot afbakening tot een kleinstedelijk gebied in het
bijzonder zou aanzien moeten worden als een plan waarbij reeds alles in
geregeld wordt met betrekking tot de concrete inrichting van het gebied, de
plaatsing en het uitzicht van de gebouwen, enz.
Het is niet zozeer de plannende overheid doch wel de vergunningsverlenende
overheid die de zorg voor een goede plaatselijke ordening tot haar kerntaken
dient te rekenen.
2.3.
De verzoekers verwijzen in hun bespreking van het tweede middel naar drie
arresten van uw raad: (…).
De arresten De Groof betreffen een vordering tot schorsing en een beroep tot
nietigverklaring van een bijzonder plan van aanleg (hierna BPA).
Hierboven werd reeds aangetoond dat er een essentieel onderscheid bestaat
tussen een BPA en een RUP met betrekking tot de vereiste voorschriften en de
detailleringsgraad. In het schorsingsarrest De Groof wordt dit overigens ook
bevestigd: ‘dat het bijzonder plan van aanleg alle elementen moet bevatten die
het mogelijk moeten maken om de gedetailleerde bestemming van het gebied
te realiseren’ (eigen onderlijning)
De feitelijkheden die aan de grondslag van deze arresten liggen zijn ook
verschillend. In de arresten De Groof zijn de planoverheden ‘zich bewust (…)
van het bestaan van een probleem inzake geluids- en verkeersoverlast en van de
noodzaak om maatregelen te nemen ter beperking van die overlast; dat zij
evenwel van oordeel zijn dat het bedoelde probleem niet opgelost hoeft te
worden, of niet opgelost kan worden, in het bijzonder plan van aanleg zelf; dat
zij zich ertoe beperken te verwijzen naar het evenementenplan dat de huidige
exploitant van de feestzaal voornemens is naar aanleiding van een uitbreiding
van de feestzaal ten uitvoer te leggen, alsmede naar de voorwaarden die
opgelegd kunnen worden in de vergunningen die de exploitant alsdan zal
moeten aanvragen; dat de vaststelling van de noodzakelijke voorschriften voor
de realisatie van de bestemming van het plangebied aldus gedeeltelijk wordt
onttrokken aan het besluitvormingsproces dat door de decreetgever voor een
bijzonder plan van aanleg is geconcipieerd, en verschoven wordt naar het
ogenblik waarop de exploitant van de feestzaal een aanvraag tot het verkrijgen
van een stedenbouwkundige vergunning zal indienen.’ (…)
De verzoekers verwijzen ook naar het arrest (…).
Dit arrest betreft een vordering tot schorsing van een provinciaal ruimtelijk
uitvoeringsplan.
X-13.822-19/25
De feitelijkheden zijn evenwel verschillend met deze van het thans
voorliggend geschil en dit blijkt reeds uit de hieronder vermelde overwegingen:
‘Overwegende dat de verzoekers samengevat aanvoeren dat de
verwerende partijen hebben nagelaten te onderzoeken of de algemene
geluidsnormen wel kunnen worden gerespecteerd met het oog op de
exploitatie van het circuit door noch te wachten op het desnoods
voorlopig rapport van de M.E.R.- studie, noch zich op een andere wijze
te hebben vergewist van de ernst van de geluids-, geur- en stofhinder die
het circuit veroorzaakt en de haalbaarheid van maatregelen om deze
hinder weg te nemen, terwijl zij nochtans kennis hadden van de
veelvuldige klachten ter zake.
Overwegende dat uit de hiervóór vermelde feitenuiteenzetting blijkt dat
de verwerende partijen zich terdege ervan bewust zijn dat de exploitatie
van de beoogde permanente omloop voor grondgebonden gemotoriseerde
sporten een negatieve impact heeft op het leefmilieu, in het bijzonder wat
de geluidsoverlast betreft;’
(…)
Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bevoegde overheden
erkennen dat het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan een niet te
verwaarlozen impact heeft op het leefmilieu, en dat maatregelen
noodzakelijk zijn om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te
houden;
Overwegende dat, indien de provincieraad vaststelt dat een provinciaal
ruimtelijk uitvoeringsplan ernstige problemen doet rijzen met betrekking
tot de impact van de voorziene bestemmingen op het leefmilieu, hij in het
betrokken plan zelf de nodige voorschriften dient op te nemen om deze
impact binnen aanvaardbare grenzen te houden.
(…)
dat immers niet op een rechtszekere manier een oplossing wordt geboden
aan het ook door de bevoegde overheid erkende probleem van de impact
van het betrokken plan op het leefmilieu, doch de oplossing hieromtrent
integendeel wordt vooruitgeschoven naar later nog te nemen beslissingen
ter realisatie van de in dat plan voorziene bestemmingen, mogelijks zelfs
door een herziening van het plan
In casu zal geen van beide indicatieve toegangswegen aanleiding geven tot
overlast, minstens zal de hinder binnen aanvaardbare perken gehouden worden.
Alle mogelijke hinder werd onderzocht en de nodige maatregelen werden
genomen, getuige de milieubeoordeling van het provinciaal RUP opgesteld door
Grontmij Vlaanderen dd. 25 mei 2007.
Bovendien dient vastgesteld te worden dat de ontsluiting geenszins een
noodzakelijk voorschrift in een RUP betreft voor de realisatie van de
bestemming, doch wel de inrichting betreft. (cfr. supra)
Klaarblijkelijk heerst hieromtrent verwarring.
(…)
De tussenkomende partij beklemtoont nogmaals dat geen enkele regelgeving
bepaalt dat de ontsluiting (als onderdeel van de inrichting van een plangebied)
verplicht dient opgenomen te worden in een RUP, wat betekent dat in zoverre
nodig een grote discretionaire bevoegdheid kan verleend worden aan de
vergunningverlenende overheid.
2.4.
In casu bestaat geen gevaar voor willekeur, onzorgvuldigheid of een
schending van de rechtszekerheid bij de toepassing van de voor verzoekers
griefhoudende voorschriften.
(…)
De ontsluiting gebeurt ofwel via de Gasthuisstraat ofwel via het noorden
langsheen de rechteroever van de Dender.
X-13.822-20/25
De rechtzoekende kan dan ook perfect de gevolgen van beide mogelijke
ontsluitingen voorzien. De aan de vergunningverlenende overheid toebehorende
discretionaire bevoegdheid blijkt dan ook binnen redelijke grenzen.
Tenslotte wordt in het verslag aan de Koning, gevoegd bij het besluit van de
Vlaamse regering tot vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de
vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen. dd. 11 april 2008 ,
expliciet opgenomen dat in een RUP een inrichtingsstudie kan opgelegd
worden. Het is evident dat deze mogelijkheid doelloos is indien het
rechtszekerheidsbeginsel – zoals begrepen door de verzoekers – de planoverheid
zou verplichten exhaustief de inrichting van het plangebied te bepalen in het
RUP zelf.
Het bestreden RUP verleent ook geen vrijbrief- wat aanleiding gaf tot het
bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging in (…) Claerhout en Van
Pollaert – doch is gesteld in voldoende nauwkeurige, duidelijke en
rechtszekerheid biedende bewoordingen.
Zoals reeds gesteld, gebeurt de ontsluiting ofwel via de Gasthuisstraat ofwel
aan de noordelijke zijde langsheen de rechteroever van de Dender. Het betreft
dan ook de keuze tussen twee vaststaande opties”.
5.6. In haar laatste memorie laat de tweede verwerende partij nog
gelden wat volgt:
“4. De tweede verwerende partij herneemt haar volledige uiteenzetting uit
de memorie van antwoord. Zij wenst enkel kort het volgende toe te voegen.
5. Ook de Auditeur, zoals de Raad van State in het arrest nr. (…), gaat er
vanuit dat het tracé van een ontsluitingsweg een bestemmingsvoorschrift is.
Dit is niet correct. De voorschriften die betrekking hebben op de ordening
van een gebied, nl. hoe de activiteiten of functies hun plaats krijgen in het
gebied. In een PRUP dienen geen inrichtingsvoorschriften te worden voorzien.
Enkel bestemmingsvoorschriften volstaan.
6. De Auditeur stelt vervolgens dat de ontsluiting een essentieel gegeven is,
dat in het uitvoeringsplan zelf op afdoende rechtszekere wijze moet worden
geregeld. Zij meent dat de indicatieve aanduiding van het tracé van twee
mogelijke ontsluitingswegen, waarbij indien één ontsluiting reeds bestaat en een
nieuwe wordt aangelegd, de bestaande nog slechts mag worden gebruikt als
‘noodweg’, het ontsluitingsweg op een onvoldoende rechtszekere wijze wordt
opgelost.
Er worden twee – en slechts twee – mogelijke tracés voor de hoofdontsluiting
voorzien. Het tracé moet uiteindelijk zo worden gekozen dat de weg zo weinig
mogelijk het functioneren van het randstedelijk groengebied verstoort.
Rechtszekerheid houdt in essentie in dat regels kenbaar en duidelijk zijn. De
rechtzoekende moet in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling
kunnen voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht.
Waar de ontsluitingsweg komt te liggen, is kenbaar en duidelijk : ofwel via
de Gasthuisstraat ofwel via de noordelijke zijde langsheen de rechteroever van
de Dender. Er is geen andere mogelijkheid.
De gevolgen van de bestreden beslissing zijn in redelijke mate te voorzien.
Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige
voorschriften mag niet verhinderen dat deze voorschriften flexibel kunnen
worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde
discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende
overheden bij de beoordeling van een concrete aanvraag voor een
stedenbouwkundige vergunning.
X-13.822-21/25
De in casu aan de vergunningverlenende overheid toebehorende
discretionaire bevoegdheid blijft binnen redelijke grenzen, door de keuze van
het tracé te beperken tussen twee ontsluitingswegen.
In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen het dan
ook volledig karikaturaal waar ze noteren dat er niets vastligt, ‘alleen dat er een
ontsluiting moet komen, maar dat is nogal evident indien de gevangenis daar
wordt ingeplant’. Dit gaat voorbij aan de inhoud van de bestreden beslissing én
het dossier : de ontsluiting zal gebeuren via de Gasthuisstraat of via de
rechteroever van de Dender.
7. De verzoekende partijen roepen pas in de memorie van wederantwoord in
dat de twee ontsluitingstracés niet haalbaar zouden zijn. Dit aspect kan niet tot
vernietiging aanleiding geven, aangezien dit niet in het verzoekschrift werd
aangevoerd.
Hieruit blijkt anderzijds wel waarom de verzoekende partijen menen dat het
voorschrift over de ontsluiting rechtsonzekerheid zou meebrengen. Zij menen
dat de aanvaardbaarheid van de twee tracés moet worden betwist. Dit is
helemaal iets anders dan rechtsonzekerheid over de keuze”.
5.7. De tussenkomende partij laat nog gelden wat volgt:
“Allereerst is het niet volledig juist voor te houden dat heden de litigieuze
bestemmingszone niet paalt aan een openbare weg. De bestemmingszone paalt
aan de Meersstraat, gelegen evenwijdig met de spoorweg Gent – Dendermonde.
(…)
Dit blijkt uit de stedenbouwkundige voorschriften waarbij in artikel 5.1.
wordt verwezen naar de ‘bestaande infrastructuur’ die in gebruik genomen mag
worden als noodweg (zie lokale ontsluitingswegen art. 1.5.)
Dit gegeven is essentieel aangezien dit het uitgangspunt voor de auditeur
vormt om de ontsluiting te aanzien als een fundamentele optie van het
uitvoeringsplan.
1.3.
De auditeur voert met de terminologie ‘fundamentele opties in het
uitvoeringsplan’ een nieuw begrip in, die geen oorsprong vindt in de betrokken
regelgeving.
In de regelgeving wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen
bestemmingsvoorschriften en inrichtingsvoorschriften. Het kan ook niet betwist
worden dat de ontsluiting aanzien dient te worden als een inrichtingsvoorschrift.
Door evenwel te stellen dat zonder een bepaald inrichtingvoorschrift de
bestemming niet kan gerealiseerd worden (en dus dat dergelijk
inrichtingsvoorschrift aanzien dient te worden als een bestemmingsvoorschrift)
holt de auditeur dit onderscheid terug te vinden in het DRO en het besluit van
de Vlaamse regering dd. 11 april 2008 volkomen uit.
Als dit standpunt gevolgd wordt, kan de vraag gesteld worden welke
inrichtingsvoorschriften niet opgenomen dienen te worden in een ruimtelijk
uitvoeringsplan. Het is immers eigen aan elk inrichtingsvoorschrift dat zij de
bestemming helpt te verwezenlijken.
De auditeur gaat zelfs verder. Zij stelt dat de definitieve bestemming niet in
het uitvoeringsplan zelf, maar pas (…) ingevolge een latere beslissing zal
worden vastgelegd.
De tussenkomende partij meent dat door het uitvoeringsplan de definitieve
bestemming wel degelijk is vastgelegd.
In artikel 3.1. van de stedenbouwkundige voorschriften wordt immers
vermeld:
X-13.822-22/25
‘Deze zone is bestemd voor de inplanting van een gevangenis. Het gaat
over de gebouwen en diensten in functie van een gevangenis en
bijhorende accommodatie zoals buitenruimtes, parkeerterreinen,
afsluitingen.’
Het is immers niet omdat de inrichting van een bepaald plangebied niet
definitief werd vastgelegd dat het bestemmingsgebied ‘zone voor gevangenis’
bijvoorbeeld voor andere bestemmingen zou kunnen gebruikt worden.
De vraag blijft dan ook waarom de ontsluiting verplicht dient opgenomen te
worden in een ruimtelijk uitvoeringsplan. De decreetgever heeft dit overgelaten
aan de discretionaire bevoegdheid van de planoverheid.
De rechtsbescherming komt hierdoor geenszins in het gedrang; de
beoordeling van de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor de
gevangenis of voor de nieuwe hoofdontsluiting zorgt er zelfs voor dat
bijkomende rechtsbescherming wordt verleend aan de omwonenden door het
toetsen van deze aanvraag aan het voorliggende ruimtelijk uitvoeringsplan.
1.4.
Het door de auditeur ingenomen standpunt wordt klaarblijkelijk gesteund op
het schorsingsarrest (…) (Rodenbach en Suply).
In het betrokken gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan werd oorspronkelijk
een ontsluitingsweg voorzien waarvan na openbaar onderzoek blijkt dat deze
weg niet voorzien kan worden aangezien deze ligt binnen een niet-vervallen
verkaveling. Het RUP wordt definitief vastgelegd zonder een ontsluitingsweg
te voorzien binnen het plangebied en bepaalt enkel de behoefte aan een nieuwe
ontsluiting:
‘Uit het bovenstaande lijkt, in de huidige stand van zaken, te moeten
worden afgeleid dat het voorhanden zijn van een nieuwe ontsluiting voor
het vrachtverkeer naar de Ingelmunstersteenweg onlosmakelijk verbonden
is met de gevraagde uitbreiding en dus een essentieel gegeven is om tot
een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen. In casu maakt het plan
de uitbreiding mogelijk, doch zonder het ontsluitingsvraagstuk te regelen.
De verwerende partij kan bijgevolg niet gevolgd worden waar zij stelt dat
‘in het ruimtelijk uitvoeringsplan de nodige ruimte wordt voorzien en
aangeduid (..)’. Dit klemt des te meer nu de verwerende partij in haar nota
zelf opwerpt dat de ‘verlegde weg’ zich ‘buiten het plangebied’ bevindt.
Tevens stelt de verwerende partij in haar nota dat ‘de verlegging van de
bestaande openbare weg met de geëigende procedure (moet) worden
geregeld’. Door tegelijk te erkennen dat de uitbreiding een nieuwe
ontsluiting vergt, maar na te laten in het bestreden besluit zelf de gepaste
maatregelen te voorzien of deze mogelijk te maken, lijkt de verwerende
partij aan de haar opgelegde zorgvuldigheidsplicht tekort te komen. Er
wordt immers op het eerste gezicht niet op een rechtszekere manier een
oplossing geboden aan het ook door de bevoegde overheid erkende
ontsluitingsprobleem dat de uitbreiding met zich brengt, doch de
oplossing hieromtrent wordt integendeel vooruitgeschoven naar later nog
te nemen beslissingen omtrent de verlegging van de bestaande
Mandelstraat naar de linkerzijde van het perceel 337/a, waarvoor
bovendien een niet-vervallen verkavelingsvergunning lijkt te zijn
afgegeven.’
(…)
Hierboven werd reeds verduidelijkt dat een planoverheid niet verplicht is om
een inrichtingsvoorschrift, in casu een ontsluiting, te voorzien.
Zelfs indien uw raad een andere mening zou toegedaan zijn, kan
bovenvermelde rechtspraak niet onverkort worden toegepast op onderhavige
zaak.
In het bovenvermelde arrest kiest de planoverheid ervoor geen toegangsweg
te voorzien binnen het plangebied van het RUP.
X-13.822-23/25
Dit is een essentieel onderscheid met de onderhavige zaak. In casu worden
liefst twee mogelijke indicatief aangeduide hoofdontsluitingen voorzien in het
plangebied van het ruimtelijk uitvoeringsplan.
De verwerende partijen hebben dan ook niet nagelaten ‘in het bestreden
besluit zelf de gepaste maatregelen te voorzien of deze mogelijk te maken’”.
Beoordeling
5.8. Het beginsel van de rechtszekerheid vereist dat
stedenbouwkundige voorschriften op voldoende duidelijke wijze worden
vastgesteld, hetgeen niet verhindert dat deze voorschriften flexibel kunnen worden
opgevat, noch dat deze binnen de grenzen gesteld door het bevoegdheidsniveau
waarop zij dienen te worden vastgesteld, een bepaalde discretionaire bevoegdheid
kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij de beoordeling van een
aanvraag om een stedenbouwkundige vergunning.
Dit houdt onder meer in dat de fundamentele opties van het plan
op het daartoe ingevolge de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel bevoegde
planniveau dienen te worden vastgesteld.
5.9. Krachtens artikel 38, § 1, 2/ van het op het ogenblik dat het
bestreden besluit werd vastgesteld geldende decreet van 18 mei 1999 houdende de
organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), bevat een ruimtelijk
uitvoeringsplan de bij elk gebiedsdeel horende stedenbouwkundige voorschriften
inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer.
Het plan dient aldus op het betrokken planniveau op een
rechtszekere wijze de bestemming evenals in voorkomend geval de voor de realisatie
daarvan noodzakelijke voorschriften in verband met de inrichting en/of het beheer
van de verschillende gebiedsdelen vast te stellen.
5.10. Er bestaat geen betwisting over dat de bestemming “zone voor
gevangenis” ingevolge het subsidiariteitsbeginsel als behorende tot het provinciaal
planniveau wordt beschouwd. Aangezien deze zone niet paalt aan een openbare weg,
en derhalve zonder ontsluitingsweg niet kan worden gerealiseerd, dient dat plan ook
noodzakelijkerwijze de daartoe vereiste inrichtingsvoorschriften, met name het tracé
van een ontsluitingsweg, aan te geven.
5.11. Wat dit betreft bepaalt “Artikel 5 Hoofdontsluiting gevangenis
(indicatieve aanduiding)” van de bij het bestreden PRUP horende
stedenbouwkundige voorschriften, wat volgt:
X-13.822-24/25
“5.1. bestemming
• De verbinding tussen de zone voor gevangenis en enerzijds de
Gasthuisstraat – Eikelstraat of anderzijds de weg langsheen de
rechteroever van de Dender vormt de ontsluiting van de gevangenis voor
auto’s en vrachtwagens en wordt de hoofdontsluiting genoemd. Er kan
maar één ontsluiting voor auto’s en vrachtwagens functioneren. Indien
één ontsluiting reeds bestaat en er een nieuwe aangelegd wordt, dan moet
het functioneren van de eerste als hoofdontsluiting voor de gevangenis
opgeheven worden. De bestaande infrastructuur mag in gebruik genomen
worden als noodweg (zie lokale ontsluitingswegen art. 1.5)
5.2. inrichting
• De inrichting van de weg wordt bepaald in functie van de
toegankelijkheid van de gevangenis.
• Het tracé van de hoofdontsluiting wordt zo gekozen dat de weg zo weinig
mogelijk het functioneren van het randstedelijk groengebied verstoort.
Het exacte tracé wordt vastgelegd bij de aanvraag voor een
stedenbouwkundige vergunning voor de gevangenis of bij de aanvraag
voor de stedenbouwkundige vergunning van de nieuwe hoofdontsluiting”.
5.12. Uit deze voorschriften blijkt dat, wat het tracé van de
hoofdontsluiting van de “zone voor gevangenis” betreft, het bestreden PRUP er zich
toe beperkt twee alternatieve tracés aan te duiden, en de definitieve vaststelling van
het tracé over te laten aan de overheid die later over de aanvraag tot
stedenbouwkundige vergunning voor de gevangenis of de nieuwe hoofdontsluiting
zal beslissen.
De ontsluiting van de “zone voor gevangenis” is, zoals blijkt uit
hetgeen voorafgaat, een noodzakelijk gegeven betreffende de inrichting van de
betrokken zone, dat op dat planniveau zelf op een rechtszekere wijze dient te worden
vastgesteld.
Door evenwel het ontsluitingsvraagstuk te regelen middels
indicatieve aanduiding van het tracé van twee mogelijke ontsluitingswegen, waarbij,
indien één ontsluiting reeds bestaat en een nieuwe wordt aangelegd, de bestaande
nog slechts mag worden gebruikt als “noodweg” in de zin van artikel 1.5 van de
stedenbouwkundige voorschriften, wordt de ontsluiting van de “zone voor
gevangenis” niet op een afdoende rechtszekere wijze in het plan zelf geregeld.
De in het middel ingeroepen schending van het
rechtszekerheidsbeginsel zoals uiteengezet door de verzoekende partijen is in de
aangegeven mate gegrond.
5.13. Het middel is in zoverre gegrond.
X-13.822-25/25
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt :
– het besluit van 12 december 2007 van de provincieraad van Oost-Vlaanderen
houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan
“Afbakening structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde”, en
– het besluit van 28 april 2008 van de Vlaamse minister van Financiën en
Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring, met uitzondering
van de in blauw aangeduide delen, van dit provinciaal ruimtelijk
uitvoeringsplan van de provincie Oost-Vlaanderen “Afbakening
structuurondersteunend kleinstedelijk gebied Dendermonde”.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als
de vernietigde besluiten.
3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van de vordering tot
schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1750 euro.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst,
begroot op 125 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier november
2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Roger Stevens, kamervoorzitter,
Johan Bovin, staatsraad,
Jan Clement, staatsraad,
met bijstand van
Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Roger Stevens