Jacob van Deventer te boek

De Dendermondse bibliotheek heeft recent de bij de Nederlandse uitgeverij Thoth uitgebrachte atlas van Jacob van Deventer aangeschaft. Een vanuit historisch oogpunt belangrijk werk dat ook Dendermonde en andere steden uit de Spaanse Nederlanden zoals ze er in het midden van de zestiende eeuw uitzagen gedetailleerd in kaart brengt.

Minutieus

Jacobus van Deventer is een rond 1500 vermoedelijk in het Nederlandse Kampen geboren cartograaf die voor zijn werk ook voor zover geweten voor het eerst de driehoeksmeetkunde toepaste. Hij studeerde vanaf 1520 in Leuven en woonde later in Mechelen tot hij omwille van de opstanden tegen de Habsburgers in 1572 naar Keulen trok en daar in 1575 overleed.

In totaal bracht hij tussen de 250 tot 260 steden in kaart gaande van Groningen en Friesland tot Luxemburg, het uiterste westen van het huidige Duitsland en het noorden van Frankrijk. Hij begon er volgens sommige specialisten mee rond 1545 en dit tot aan zijn dood. Anderen dan weer stellen dat dit begon vanaf 1558 en geheel in opdracht van koning Filips II voor wie dit een zeer belangrijk bestuurlijk en ook militair werk was.

Voor Jacobus van Deventer was het echter duidelijk ook een passie om al die steden en het omringende platteland in detail in beeld te brengen. Met wat nu primitieve instrumenten zijn trok hij langs al de in kaart gebrachte steden, stapte straten af en beklom kerktorens, belforten en militaire bolwerken om alles nauwkeurig op te meten.

Atalas Jacobus van Deventer

Een enorm monnikenwerk waar hij dus minstens dertig jaar aan werkte. Hij begon het onder Spaans bewind en toen hij klaar was en stierf lag zijn vermoedelijke geboortestreek in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, onafhankelijk van Madrid. Het grootste deel van zijn werk verdween nadien in de Bibliotheca Nacional de Espana in Madrid. Een deel ligt ook in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, de Albertina.

Wat het werk mede zo uitzonderlijk maakt is dat hij niet alleen de stadskernen maar ook het omliggende platteland minutieus toonde met zijn vele schakeringen en met groen voor weilanden en bossen, beige voor landbouwgronden, blauw voor de vele waterlopen en rood voor de gebouwen.

Oudste beschrijving

Voor nogal wat steden is dit ook de oudste cartografische beschrijving die er is. Het geeft zo een beeld van hoe de laat-middeleeuwse steden en de omliggende gebieden er uit zagen. Het kan zo ook meer duidelijkheid verschaffen over de middeleeuwse periode en die zelfs onder de Franken voorheen. Zo toont ze onder meer de vele landbouwgronden uit die periode in de stadscentra zelf.

Het probleem is dat er behoudens die kaarten weinig bekend is over de man zelf en zijn werk voor Filips II. Zo weet men niet welk exact jaar de kaarten van de vele steden zijn gemaakt. Ook over het motief van Filips II om de man aan te stellen tast men nog steeds in het duister en blijft men discussiëren.

Over diens werk is in november vorig jaar aan de Leuvense Universiteit een doctoraatsthesis verschenen van de hand van Colin Dupont onder de titel ‘Cartographie et pouvoir au XVI siècle – l’ Atlas de Jacques de Deventer” met als promotor Jelle Haemers van de KUL en met wetenschappelijke begeleiding van Wouter Bracke van de Koninklijke Bibliotheek in Brussel.

Colin Dupont: ”Mijn hypothese is dat diens opdracht voor de koning vooral politieke bedoelingen had om op die wijze meer in detail zijn eigendommen in beeld te krijgen. Het militaire was hierbij secondair. Het lijkt mij ook dat die kaarten weinig economische informatie bevatten en dit dus niet de bedoeling was van Filips II.”

Colin Dupont, tegenwoordig wetenschappelijk medewerker bij de Koninklijke Bibliotheek in Brussel, werkt op dit ogenblik aan de uitgave in boekvorm van zijn doctoraat.

Het werk van Deventer was totaal in de vergetelheid geraakt tot het in 1859 bij het veilinghuis Martinus Nijhoff in Den Haag plots opdook. Wie wil zien hoe Dendermonde en andere steden uit de Spaanse Nederlanden er toen uitzagen kan dit werk binnenkort in de leeszaal van de Dendermondse bibliotheek bestuderen. Zijn kaarten kunnen ook digitaal online via  https://www.kbr.be/nl/galerij/jacob-van-deventer-stadsplattegronden geraadpleegd worden.

Willy Van Damme

Uitgeverij Toth, Bussum, Nederland. Reinout Rutte en Bram Vannieuwenhuyze, ‘Stedenatlas van Jacob van Deventer’, 516 bladzijden, 99,5 euro, 2018. ISBN 9789077699171

Première documentaire film over Felix Nussbaum

In de Brusselse bioscoop Aventure in de Kleerkoperstraat gaat nu komende vrijdag 19 januari de documentaire langspeelfilm Felix Nussbaum in première. Het is het werk van Lydia Chagoll, een in vele opzichten grote dame van de Belgische cultuur. Zoals ze recent tijdens een gesprek in de Mechelse Dossinkazerne aankondigde is het wel haar laatste film. Zij is dan ook 86 jaar oud en wordt er in juni zelfs 87. Maar ze is nog steeds een en al leven bezeten door de onderwerpen waar ze sinds 1945 mee bezig is.

Felix Nussbaum is een in 1904 in het Duitse Osnabrück geboren kunstschilder die meestal gerekend wordt tot de toen florerende expressionistische school. Zijn drama was als joods kunstschilder te leven en te werken in het Duitsland van het interbellum met Hitler en zijn nazi’s. Eens die de macht grepen was hij weg en zwierf zowat tussen Italië, Frankrijk en vooral België. En hier dan veel in Oostende en Brussel. In Oostende had hij blijkbaar ook regelmatig contact met James Ensor.

Felix Nussbaum - Zelfportret

Een zelfportret van Felix Nussbaum. Een slachtoffer van de fascistische rassenwaan.

Hij werd trouwens bij de Duitse inval op 10 mei 1940 door de Belgische politie opgepakt en naar een gevangenkamp in het zuiden van Frankrijk gevoerd waar men, joods zijnde, zelfs zijn terugkeer naar Duitsland regelde. Maar hij ontsnapte en verbleef jarenlang voor de Duitse bezetter ondergedoken in Brussel.

Tot hij door verraad op 10 juni 1944 werd opgepakt en men hem via de Mechelse Dossinkazerne, een doorvoercentrum voor ‘ongewensten’, afvoerde richting Duitsland en de vernietigingskampen. Op 31 juli 1944 werd hij op de trein naar Auschwitz gezet. Het laatste treintransport vanuit Mechelen. Hij kwam er met zijn echtgenote aan op 2 augustus en verdween nadien zoals de rest van zijn familie in de gaskamers van Hitler en zijn adepten.

In 1998 werd in zijn geboortestad Osnabrück een museum geopend gewijd aan de kunstenaar, het Felix Nussbaum Haus. De man was in België in de vergetelheid geraakt maar werd mede terug ontdekt dankzij het boek de Orgelman van journalist Marc Schaevers die er in 2015 de Gouden Boekenuil voor kreeg. Waarna Lydia Chagoll besloot er een documentaire langspeelfilm over te maken

Lydia Chagoll is geboren in het Nederlandse Voorburg maar woont behoudens de oorlogsjaren al sinds de jaren dertig in België. Vader was journalist en diende voor zijn werk te verhuizen naar Brussel. Joods zijnde ging het gezin Chagoll ook op 10 mei 1940 op de vlucht. Eerst naar Zuid-Frankrijk en dan via Spanje naar Portugal.

Van neutraal Portugal ging het dan weer naar de Portugese kolonie Mozambique en dan naar Brits Zuid-Afrika om daar uitgezet te worden naar Nederlands-Indië. Enkele weken voor de Japanners deze eilandenarchipel veroverden en het gezin gevangen werd gezet in de beruchte Jappenkampen.

Lydia Chagoll

Lydia Chagoll, een culturele duizendpoot.

Het zijn gebeurtenissen die haar voor het ganse leven zullen tekenen. Veel van haar werk gaat dan ook over het leven in die kampen, zowel ginds in nu Indonesië als in Europa. Waarbij zij ook zeer veel aandacht had voor de andere veelal vergeten groepen zoals de Roma, de politieke gevangen en homoseksuelen. Vooral het lot van de kinderen trok haar zeer sterk aan.

Veel van haar boeken en films gaan dan ook over die thema’s zoals het fascisme en het leed in de kampen. Over haar verblijf in die Jappenkampen wil zij echter niet praten. Dat lijkt ook nu nog na al die decennia te moeilijk voor haar.

Cultureel is Lydia Chagoll een uitermate veelzijdige kunstenares. Filmmaakster, boekenschrijfster, balletdanseres, choreografe en scenariste. Ze had ook jarenlang een eigen balletensemble. Haar echtgenoot was filmmaker Frans Buyens en zoals Lydia Chagoll een vrijdenker en maatschappijcriticus. Hij was afkomstig van Temse en een der pioniers van de Belgische film. Hij overleed in 2004.

Premier vrijdag 19 januari te 19u30, Cinema Aventure, Kleerkoperstraat 15, Centrumgalerij, 1000 Brussel. De toegang is gratis. Wel vooraf reserveren via georges.boschloos@auschwitz.be.

De film is op DVD te koop via bcocdinfo@telenet.be en kost 20 euro. Regie en montage zijn het werk van Lydia Chagoll met montageassistentie van Gertjan Van Damme.

Willy Van Damme

De Bende van Nijvel–Tweede keer beetgenomen

Deze week verscheen bij uitgeverij Horizon een volledig herziene uitgave van het in 2013 uitgegeven boek van Hilde Geens ‘Beetgenomen – zestien manieren om de Bende van Nijvel nooit te vinden’. De eerste versie verscheen bij Manteau. In deze nieuwe versie werden de nieuwe elementen uit dit dossier verwerkt. 

Hilde Geens is een van de weinige journalisten die zich op een professionele wijze op het dossier van de bende gooide. En met veel overgave en toch een zekere afstandelijkheid. Ter gelegenheid hiervan verscheen er deze week in Knack een interview van haar met journalist Jan Lippens.

Hilde Geens - Beetgenomen - Zestien manieren om de Bende van Nijvel nooit te vinden - herziene tweede uitgave

Het is een boeiend gesprek geworden met als titel ‘ik vraag me af of dé Bende wel bestaat’. Hierin stelt de auteur zowat alles in vraag, incluis zichzelf. Zo oppert zij:

“Ik heb belangrijke delen van het dossier tot en met 1997 grondig kunnen bekijken en ben het altijd blijven volgen, maar ik durf niet zomaar te beweren dat ik het dossier ken.”

Het getuigt van een nederigheid die je bij de collega’s zelden zult aantreffen. Daar zal men dat normaal nooit vinden. Het woord twijfel komt in het gesprek dan ook regelmatig terug. En zoals de Griekse wijsgeer Socrates heeft zij in wezen alleen maar vragen.

Voor haar is het ook duidelijk dat er in deze zaak nooit een proces zal komen. Daarvoor zijn er naar haar vermoeden veel te veel procedurefouten gemaakt om met hoop op enig succes een veroordeling te krijgen. Als er ooit een rechtszaak van komt. Want het is duidelijk dat buiten de vele doden en gewonden ook het gerechtelijk apparaat hier een slachtoffer is. Slachtoffer van haar eigen onbekwaamheid.

Willy Van Damme

Hilde Geens: ‘Beetgenomen – zestien manieren om de Bende van Nijvel nooit te vinden’, Horizon, 2017, 425 pagina’s, 22,5 euro.

Baasrode en Pieter Bruegel de Oude

Kort vooraf

Kenners weten dat Pieter Bruegel de Oude, een van onze grootste schilders ooit, een tekening van Baasrode had gemaakt. Een aantal Baasrodenaren hebben trouwens kopieën van die rond 1555 gemaakte tekening thuis hangen.

Bart De Bondt, een historicus uit het vlakbij Baasrode gelegen Buggenhout, doet al enkele jaren wetenschappelijk onderzoek naar het verleden van Baasrode en ontdekte massa’s tot heden onbekende gegevens. Ze gaven de geschiedschrijving van de gemeente, de regio en België een extra toets.

IMG_3061

De in volle bloei zijnde Baasroodse School voor Scheepsmodelbouw zet de traditie van scheepsbouw in de gemeente voort, zelfs al is het op schaal. Ze heeft nu al bijna 100 leden en is ook uit buiten onze grenzen in de sector goed gekend. Een succes dat het o.m. te danken heeft aan de kennis van Maurice Kaak, de specialist in de materie. Het heeft de steun van de besturen van de provincie Oost-Vlaanderen en de stad Dendermonde.

Zijn licentiaatsthesis ging over het Baasrode van de negentiende eeuw en de opkomende industrie met vooral dan de scheepsbouw met haar families zoals Van Praet, Van Damme en De Landtsheer, de latere Buggenhoutse brouwers. Een uittreksel uit die thesis met de sociale en politieke rellen eind negentiende eeuw met vooral de bewoners van de proletarische wijk Broekkant verscheen hier eerder en werd veel gelezen.

Die Baasroodse geschiedenis leeft in deze gemeente nu nog voort met de School voor Modelscheepsbouw, het Hof van Peene en het Scheepvaartmuseum. Baasrode koestert gelukkig genoeg zijn verleden.

De Bondt werkt op dit ogenblik aan een boek welke die periode in beeld zal brengen. Daarna komt er normaal ook een boek over het oudere Baasrode met zijn florerende handel, de godsdienstoorlogen en de relatie met Dendermonde. Want Baasrode behoorde binnen Habsburgse staatsbestel tot de Franse definitieve verovering in 1794 en het ermee samengaande revolutionaire elan tot het Land van Dendermonde.

IMG_4098

Het Baasroodse Hof van Peene werd onder impuls van chocolatier Karel Peeters deels heropgebouwd. Een geslaagde restauratie die o.m. de veertiende eeuwse grondvesten toont. Het is deels een woonbouwproject, deels een tentoonstellingsruimte voor de geschiedenis van Baasrode en voor lokale kunstenaars. Nu loopt er een met werk van beeldhouwer Henri De Bruyne, een der uitstekende beeldhouwers uit de regio.

Zeker in Dendermonde en Baasrode was er amper iets over geweten en was er nogal wat foute informatie. Het is de zeer grote verdienste van Bart De Bondt dit uit de nevelen ter tijden te hebben gehaald.

Het toont hoe een nu kleine gemeente van begin dit jaar 6.228 inwoners toen in de zestiende en zeventiende eeuw een toch niet onbelangrijke rol speelde in de economie der Lage Landen, eigendom van de Habsburgse keizers. Het had die welvaart grotendeels te danken aan de ontwikkelingen noordelijker in Antwerpen. Toen een van de voornaamste steden in Europa.

Leuk detail uit dit verhaal is dat Baasrode, ondanks de grote rivaliteit met Dendermonde, een café de Vier Heemskinderen had. De Heemskinderen zijn de berijders van het Ros Beiaard waar de echte Dendermondenaars nu nog steeds smoorverliefd op zijn. Het Ros Beiaard en zijn ommegang zien uitgaan is voor vele stedelingen een hoogtepunt in hun leven. Het gaat tegenwoordig om de tien jaar uit. De volgende ommegang is in 2020.

En dus ook reeds in zestiende eeuw was er in Baasrode een café genaamd de Vier Heemskinderen. Het toont mede de zeer nauwe band ook op dit vlak toen tussen Baasrode en Dendermonde.

Scheepvaartmuseum, Atelier Van Praet, Baasrode

Het merkwaardige Baasroodse Scheepvaartmuseum uitgebouwd rond de vroegere scheepswerven van de families Van Damme en Van Praet toont nog hoe bijna 100 jaar terug men hier schepen bouwde. In de jaren zeventig van de vorige eeuw stopte men met werken en liet men gewoon alles liggen. Wakkere Baasrodenaars met oog voor het erfgoed slaagden er toen in het niet alleen te redden van de sloop maar het ook te laten beschermen. Hier werden ooit zeeschepen gemaakt. Op zeker ogenblik had de gemeente zelfs 9 scheepswerven. Hier het atelier van de familie Van Praet.

In dat café en de vele andere estaminets werd zoals het onderzoek van Bart De Bondt leerde ook veel Dendermonds bier gedronken. Dendermonde had dus ook baat bij een welvarend Baasrode. Voor mensen met wat kennis van economie geen verrassing.

Dit verhaal verscheen gisteren ook in het tijdschrift van Baceroth, de heemkring van Baasrode. Het verschijnt eind januari 2017 ook in het jaarboek van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde.

Willy Van Damme

Pieter Bruegel en Baasrode – Introductie:

Al een lange tijd heeft men in Baasrode weet van het bestaan van een tekening van de Scheldegemeente gemaakt door Pieter Bruegel de Oude[1], ook gekend als de Boerenbruegel omwille van de vele landelijke taferelen die hij afbeeldde en hem ook kenmerken.

Na zijn verblijf in Italië keerde hij vermoedelijk in 1554 terug naar ons land en vestigde zich in Antwerpen waar hij in dienst trad van graveur en uitgever Hieronymus Cock en zijn ‘Aux Quatre Vents’, (De Vier Windstreken) diens uitgeverij van gravures en tekeningen. Deze uitgeverij speelde een belangrijke rol in het verspreiden in de Nederlanden van de Italiaanse schilderkunst uit de periode van de renaissance.

In die periode tot ongeveer 1562 was hij dan ook vooral actief als maker van tekeningen. Pas na zijn verhuis naar Brussel en zijn huwelijk met Mayken Coecke in 1563 zou hij zich ontplooien tot een der ’s werelds grootste schilders.

Diens grote werken dateren dan ook allen van die periode 1562 tot zijn dood in 1569. Zijn tekening van Baasrode dient men dan ook te rekenen tot een werk uit de beginperiode van de man, waarschijnlijk dus gemaakt in afspraak met Aux Quatre Vents, de uitgeverij van kunstschilder en graveur Hieronymus Cock.

In die periode van de zestiende eeuw was de economische relatie tussen Baasrode en Antwerpen zeer intens. Antwerpen was uitgegroeid tot één van Europa’s grootste havens en ook een centrum voor handel en het nieuwe denken dat mede dankzij de boekdrukkunst het levenslicht zag.

Daarbij speelde Baasrode de rol van achterhaven vanwaar men Antwerpse handelswaar met karren naar delen van Brabant, de streek van Aalst en Dendermonde en zelfs tot in Frans-Vlaanderen voerde. Dat Pieter Bruegel Baasrode bezocht en tekende is bijna logisch te noemen.

Dagelijks immers vaarden passagiersschepen tussen beide plaatsen heen en weer; een voorrecht dat slechts enkele andere steden gegeven was. Zelfs de Dendermondenaren waren (met enige tegenzin)[2] verplicht om zich naar Baasrode te begeven vooraleer zich te laten inschepen richting Antwerpen.

Dankzij dit rechtstreekse passagiersveer was het dus vrij simpel voor een Antwerpenaar om een bezoek aan Baasrode te brengen. Zeker vóór de voltooiing van de Brusselse Vaart (1561) was Baasrode van groot belang.

Als achterhaven van Antwerpen had ze in onze streken vooral concurrentie te duchten van de machtige steden Dendermonde, Mechelen en Brussel. Kijken we maar naar de oudste havenalmanak van de Nederlanden (1556), die ons gegevens biedt over dertien belangrijke havens gelegen in onze contreien.

Tussen absolute kleppers als Antwerpen, Amsterdam, Mechelen, Rotterdam, Gouda, Haarlem, Enkhuizen en Dordrecht vinden we er het nietige Baasrode opmerkelijk genoeg weer. In een gelijkaardige almanak uit 1558 vinden we eveneens Baasrode terug tussen negen havens uit de Nederlanden.[3]

Deze studie van historicus Bart De Bondt brengt meer duidelijkheid over die tekening van Bruegel en het Baasrode van toen. Het toont ook hoe dit werk verzeilde in een schilderij die vermoedelijk het werk is van Jan Brueghel de Oude, jongste zoon van Pieter Bruegel. Een schilderij die de intense economische relatie van Antwerpen met Baasrode op Bruegheliaanse wijze belichaamt.

Willy Van Damme

Pieter Bruegel de Oude en Baasrode – Een studie

clip_image002

Pieter Bruegel de Oude, ‘Basrode’. Foto door H. Schneider. (Copyright Staatliche Museen zu Berlin, Kupferstichkabinett, nr. KdZ 5763, Berlijn, Duitsland)

Baasrode heeft het ontzettende geluk zich te kunnen beroepen op een waarheidsgetrouwe tekening van Pieter Bruegel de Oude. Op basis van de stijlkenmerken kan de pentekening vermoedelijk worden gedateerd rond 1555-1556; enkele jaren vóór de verwoestende dorpsbrand van 1558, die met name de scheepswerven, houtzagerijen en handelspanden aan de Schelde in de as legde. Toch kwam de tekening te laat om ons Baasrode op haar hoogtepunt te tonen.

Dendermonde had een aanzienlijk deel van de goederenhandel in 1540 weten te kortwieken,[4] terwijl ook in 1545 een grote dorpsbrand zware schade had aangericht. Hoe dan ook wijst de tekening zonder meer op een welstellend, handeldrijvend dorp.

Aan deze welstand zou pas een einde komen in 1578-1579, wanneer de Tachtigjarige Oorlog het alledaagse leven op gruwelijke wijze wist lam te leggen, de handel als een pudding in elkaar zakte en het platteland grotendeels ontvolkt werd.

De genadeklap werd gegeven bij het krieken van de dag op 15 augustus 1579, wanneer de versterkte dorpskom door een grote Spaansgezinde troepenmacht werd veroverd, in een mislukte maar bijzonder bloedige poging om rebellenleider Willem van Oranje te pakken te krijgen. Honderden soldaten en een onbekend aantal burgers lieten het leven. Wanneer Willem onvindbaar bleek, werd de gehele dorpskom in de as gelegd.

Misschien dachten de soldaten dat de prins van Oranje zich nog ergens in een huis verschool; geen onlogische gedachte aangezien de Spaansgezinde troepen zelfs na hun overwinning nog onder kanonvuur werden genomen door oorlogsschepen die mogelijk deel uitmaakten van de maritieme escorte van de prins was. Hoe dan ook, met den brant van Baserode was het over and out voor alle bouwwerken die we op de pentekening van Bruegel kunnen terugvinden.

Dankzij de tekening krijgen we een blik op de hoge behuizing aan de steenweg vanaf het Hof van Peene tot en met de kerk, alsmede de eerste handelspanden aan de Schelde. De zuidelijkere aanlegkades, de houtzagerijen en scheepswerven, de grote inham van de Vliet en de steenweg met zijn talrijke herbergen en handelspanden zijn minder duidelijk of niet weergegeven.

Verder tellen we maar liefst dertien vaartuigen, waarvan er acht zijn uitgerust met een zeil, alsmede een twintigtal personen op diverse plaatsen. Het dorpscentrum lijkt trouwens net iets te hoog afgebeeld, maar vergeten we niet dat het waterpeil toen een meter lager lag als vandaag, terwijl het tijverschil slechts twee meter betrof tegenover ruim vier meter vandaag.[5]

Een kopie van de originele tekening van Berlijn kan in Londen worden gevonden. Op 25 oktober 1865 werd nog een ‘mooie tekening’ van een zicht op Bastrode door Bruegel openbaar verkocht te Gent, maar het is onduidelijk of deze tekening één van de huidige bekende exemplaren betreft.[6]

clip_image004

Jan Brueghel de Oude, ‘Bassere in Flandre’. (Copyright British Museum, Londen, inventarisnr. RN 1946,0713.148, Verenigd Koninkrijk)

Eerst en vooral hebben we hier een mooie weergave van de gotische kruiskerk met dubbele kruisbeuk en een aanzienlijk hoger koor. Zware steunberen stutten het gebouw. De toren bezit vier kleine hoektorentjes en is bekroond met een zeer lange en slanke gotische naald (hoogte inclusief kruis ruim 45 meter), met bovenaan verschillende ingewerkte dakkapelletjes.

Minder duidelijk is de fraaie afwerking van deze toch vrij nieuwe kerk, welke luxueus was opgevat met een reeks versierde glasramen (o.a. van de schippers), heiligenbeelden, slanke pilaren in witte hardsteen, een horloge, enzovoort.

Geen wonder dat de kerk een tiental jaar later, op 19 februari 1567, een doorn in het oog bleek te zijn van een passerende geuzenvloot, die een raid op het kerkgebouw uitvoerden en het interieur van de gebedsplaats kort en klein sloegen.[7] Een beeldenstorm dus.

Rondom de kerk bevindt zich het kerkhof. Aan de straatzijde is dit niet breed, maar ze strekt zich anderzijds wel uit over een groot gedeelte van het kerkhoofd.[8] De begraafplaats wordt omringd door een dikke muur, voorzien van steunberen.

BPK 45.594

Pieter Bruegel de Oude, ‘Basrode’, detail. (Copyright Staatliche Museen zu Berlin, Kupferstichkabinett, nr. KdZ 5763, Berlijn, Duitsland)

Toegang tot het kerkhof kon men krijgen via openingen aan het koor en aan de ingang. Naast het kerkhof ligt nog een brede strook grond die als weg werd gebruikt. Op de tekening zien we vijf personen op deze weg, terwijl er ook enkele kleine roeibootjes liggen.

Men noemde deze baan in de volksmond ’s Heerenweg, maar het is onduidelijk of deze naamgeving nu verband houdt met de heer van Baasrode of met het kerkhof. De oeverkant werd met aarde en hout verstevigd om zowel de kerk tegen te Schelde te beschermen als te dienen tot kade en transportweg.

Door middel van slagbomen konden tollen worden geheven op de talrijke karren die het kerkhoofd aandeden om goederen te laden en te lossen. Vanaf het midden van de zestiende eeuw moesten periodieke, peperdure herstellingswerken worden uitgevoerd om te vermijden dat ’s Heerenweg – en vervolgens het kerkhof – door de rivier zou worden verzwolgen.

Dat klinkt heel dramatisch, maar we mogen de schurende kracht van de Schelde niet onderschatten. De enorme indijkingswerken die zich eerder op de eeuw voornamelijk in Moerzeke-Kastel hadden voltrokken, wisten de Schelde stroomafwaarts van Baasrode zodanig te vernauwen, dat het wassende water van de Schelde vrij spel kreeg op de oevergebieden tussen grosso modo Baasrode-centrum en Sint-Amands.

De gronden te Sint-Amands werden grotendeels gered dankzij kostelijke indijkingswerken vanaf 1562, maar in het Brielgebied gingen op dramatische wijze vrij plots tientallen hectaren verloren, terwijl dus ook het Baasroodse kerkhoofd zwaar te lijden had.

In een poging de zware onderhoudsuitgaven te recupereren, verleende koning Filips II in 1559 voor de eerste keer de toelating om voor rekening van de kerkfabriek gedurende negen jaar een scheepstol te heffen aan het kerkhoofd.

In tijden van economische voorspoed bracht dit een flinke duit op, maar wegens de relatief korte gunningstermijnen, de langdurige en kostelijke procedures alsmede allerlei beroepsmogelijkheden beschikte Baasrode de komende eeuwen slechts gedurende de helft van de tijd over een dergelijk tolrecht.

Daar komt dan nog bij dat de tolverpachting weinig opbracht in tijden van oorlog en tegenspoed, terwijl het kerkhoofd sowieso gedurig zware investeringen vereiste. In de vroegere geschiedschrijving werden de kerkkaaien met hun tolrechten beschouwd als een bron van welvaart voor de kerk.

Maar wie de cijfers nagaat kan enkel concluderen dat de kerkfabriek over de jaren heen financieel zijn broek scheurde aan de gevolgen van de ongelukkige inplanting van de kerk. Wanneer later op de zestiende eeuw door alle oorlogsperikelen geen tol werd geheven en de nodige middelen ontbraken om het kerkhoofd te onderhouden, werd de grond op vijftien jaar tijd zodanig weggespoeld dat de hele straat rond het kerkhof inclusief een groot deel van de kerkhofmuur reeds in de Schelde was gevallen.

Nog gevaarlijker was dat toen de ruïnes van de kerk ondermijnd geraakten, de steunberen scheuren vertoonden en de hele constructie begon over te hellen naar de Schelde.[9]

clip_image007

Een model van de Sint-Ursmaruskerk van Baasrode rond 1555

Verder zien we op de pentekening de brede monding van het kleine riviertje de Vliet, welke een lange boogvormige kil vormde aan de noordzijde van het dorp en zo een veilige aanleg- en ankerplaats bood aan de schepen.

Het hoeft niet te verwonderen dat de veer naar Moerzeke hier gevestigd was, pal aan het uiteinde van de weg tussen de ingang van de kerk en het Hof van Peene gelegen. Aan de zuidoostkant van het kerkhoofd waren de belangrijkste aanlegplaatsen van het dorp gevestigd. Het betroffen met hout verstevigde kaaien achter de kerk en de hierop volgende herbergen.

Op de tekening zien we dat er een vijftal beurtschepen zijn aangemeerd; drie ervan zijn goed zichtbaar en een beetje verder liggen er nog enkele aan een andere kade. De grote, hoge stenen gebouwen die zich aan de kaaien bevinden, staan volledig in het teken van de handel. Het zijn typevoorbeelden van stapelhuizen-herbergen en hun aanwezigheid duidt zonder meer op handel en welstand.

Op de tekening zijn er zeker twee zichtbaar, namelijk den Ancker en den Witten Leeuw. Deze laatste herberg bezat een groot afzonderlijk stapelhuis dat zich net naast de herberggebouwen bevond, bereikbaar via een steegje dat breed genoeg was om met wagens en karren te passeren. Het is niet al te duidelijk op de pentekening, maar schepen konden ook achter deze laatste

herberg aanmeren en zeker vanaf de volgende eeuw bevond er zich zowel een brede kil naast het stapelhuis alsmede een licht uitspringende houten (later stenen) kade achter de herberggebouwen.

Eveneens niet zichtbaar maar nochtans aanwezig in de haven is minstens één hijskraan, die ongetwijfeld diende om zware stukgoederen te lossen of te laden. Bijgevolg werden de havenarbeiders van Baasrode toen craenders genoemd.

Handelshuizen als deze op de pentekening laten ons een glimp opvangen van de roemrijke zestiende-eeuwse havenbedrijvigheid, wanneer Baasrode van groote commerschap ende negotiatie [was], versterckt met veele schoone herberghen ende winckels, [met] een menichte van inwoonders van alle plaetsen […].[10]

Er is op deze tekeningen trouwens nog geen sprake van een kleine kil aan het einde van het kerkhoofd, tussen de kerk de handelspanden. Deze werd pas naar de eeuwwisseling toe gegraven, wanneer het veer verlegd werd en hier zijn aanlegplaats zou krijgen. Rechts onderaan dit fragment zien we tenslotte nog twee zij aan zij gelegen (vissers)bootjes en een roeibootje.

clip_image009

Pieter Bruegel de Oude, ‘Basrode’, detail. (Copyright Staatliche Museen zu Berlin, Kupferstichkabinett, nr. KdZ 5763, Berlijn, Duitsland)

In het midden van dit fragment zien we het kasteelhof van de heren Baasrode; het Hof van Peene. Dit indrukwekkende gebouw werd in de vijftiende eeuw door de Halewijns uitgebouwd en maakte vervolgens verschillende bouwfases door. Ten tijde van de pentekening bestond ze grosso modo uit twee of drie hoge, haaks op elkaar staande vleugels, bekroond met zowel een kleine als een grote toren.

Beide torens hadden een spitse bekroning, waarbij er in de grote toren zelfs enkele dakkapelletjes ingewerkt waren. Deze laatste toren moet indrukwekkend zijn geweest, zeker als men weet dat de top van de toren met een hoogte van ongeveer 30 meter bijna even hoog kwam als die van de huidige Baasroodse kerk met haar renaissancekop uit 1677.

Wanneer de verdedigingslinie van het havendorp tijdens de Slag om Baasrode (1579) omtrent het Hof door de Spaansgezinde troepen onder de voet werd gelopen, waren deze laatste troepen er als de kippen bij om het grote bouwwerk te bezetten en de stellingen van de overige verdedigers op een verpletterend musketvuur te trakteren vanuit de talrijke ramen van het gebouw.

In een mum van tijd viel toen de gehele flank van het dorp in Spaanse handen. Na deze bloederige slag werd ook het Hof van Peene in de as gelegd. De kleine toren, vooraan aan de straat gelegen, bleef relatief goed bewaard en werd recent herontdekt en gerestaureerd, de grote toren bleef evenwel geruime tijd in ruïne staan om vervolgens geheel verloren te gaan.

Jammer dat de vele bomen op deze tekening het zicht belemmeren, anders hadden we ook een zicht op de tuin en eventuele behuizing achter het Hof van Peene, evenals een deel van de loop van het riviertje de Vliet en de aanmeerplaats van het veer op Kastel.

Tussen het Hof van Peene en de kerk stonden trouwens beukenbomen, maar ook deze zijn niet te ontwaren op de pentekening. We merken trouwens ook drie hoge huizen op, twee links en één rechts van het kasteelhof.

Twee ervan zijn duidelijk in steen opgebouwd, van de laatste is het bouwmateriaal onduidelijk. Deze gebouwen zijn allen herbergen. Het gaat van links naar rechts vermoedelijk om de Swaene, ’t Gulden Hooft en den Inghel (of ’t Schaeck aan de overkant van de straat).

clip_image011

Pieter Bruegel de Oude, ‘Basrode’, detail. (Copyright Staatliche Museen zu Berlin, Kupferstichkabinett, nr. KdZ 5763, Berlijn, Duitsland)

Het volgende fragment toont ons vooral de Schelde en de Kastelse oever. Er was duidelijk een kunstmatig ‘hoofd’ aangelegd, die niet diende als aanlegplaats maar wel om de stroming te breken en zo de rest van de ingedijkte oeverlanden te beschermen.

Te Baasrode vervulde het ganse kerkhoofd deze functie door haar natuurlijke ligging en had men zoals reeds gezegd geen andere keuze dan noodgedwongen (de kerk stond erop) periodieke herstellingswerken uit te voeren.

Over de volledige Kastelse oever heen werden er door de geschiedenis heen verschillende reeksen van deze riviervernauwende hoofden aangelegd om de indijkingen te beschermen en de bolle oevergebieden naar het zuiden toe door middel van verzanding kunstmatig uit te breiden, tot grote ergernis van de bewoners aan de overkant van het water, die hun landerijen aan de holle oevers stelselmatig onder de golven zagen verdwijnen.

De volledige oeverbewoning van de Nieuwen Briel was tegen de eeuwwisseling door het water verzwolgen, terwijl bijvoorbeeld ook de Buggenhoutse scheepswerf (vermoedelijk op de grens van de Ouden en Nieuwen Briel) toen hoogstwaarschijnlijk al onder de golven was verdwenen.

De gedurige uitbreiding van Kastel en de hieraan gekoppelde afspoeling van het Brielgebied nam over de eeuwen heen zo’n proporties aan, dat de archeoloog die de sporen van de historische haven van den Ouden Briel wil terugvinden ondertussen zowat op Kastels grondgebied mag beginnen graven.

Verder wijzen de vele boten en bootjes op de pentekening erop dat de Schelde toen druk bevaren werd, al kan het natuurlijk altijd zijn dat ze aan de fantasie van Bruegel ontsproten. De aanlegplaats van de veerboot te Kastel is jammer genoeg niet zichtbaar op deze foto; die bevond zich net achter de toch wel opvallende vernauwing van de Schelde.

Geen wonder dat het kerkhoofd van Baasrode doorheen de eeuwen vaak werd uitverkoren als eerste locatie stroomopwaarts van Antwerpen om een militaire brug te bouwen, de rivier toe te palen of om er de vernauwde rivier te controleren met behulp van grof geschut.

clip_image013

Jan Brueghel de Oude, ‘Bassere in Flandre’, detail. (Copyright British Museum, inventarisnr. RN 1946,0713.148, Londen, Verenigd Koninkrijk)

Voor dit fragment is de kopie van betere kwaliteit. Het gaat om een typisch boerenhuis naar toenmalige normen. Links ervan staat een persoon afgebeeld. Opmerkelijk is dat er schijnbaar een oeverweg aan de dijk liep, die vanuit de rechterkant met een boog naar het huisje liep.

Strategisch kon men de ligging van de woonst echter niet noemen; vlak naast de zeer lage oever en juist vóór het begin van de dijk aan de Broekkant. In het verleden mocht dat misschien wel doenbaar zijn, maar de Schelde begon juist in deze periode een waar probleem te vormen voor de oeverbewoners. H

et is dus nog maar de vraag hoeveel jaren dit huis bewoond bleef na deze vastlegging op papier. In 1559 of 1568 vond immers net op deze plaats één van de zwaarste dijkbreuken uit de Baasroodse geschiedenis plaats, met als gevolg dat men de hele dijk diende te verleggen en het gedaan was met de oeverbewoning op lage grond.

clip_image015

Een vereenvoudigde weergave van het noordelijke gedeelte van Baasrode-centrum in de zestiende eeuw. In het rood zijn de gebouwen aangeduid die vermoedelijk zichtbaar zijn op de pentekening van Pieter Bruegel de Oude.

In het kader van een boek over de Baasroodse geschiedenis hebben we het geluk gehad een schilderij terug te vinden, gebaseerd op deze pentekening. Het kan vreemd klinken dat niemand tot dusver de link met Baasrode had gemaakt, maar dat komt omdat de gehele rechterzijde van het canvas toegewijd is aan Antwerpen.

Ondanks dat de schilder via lichtwerking aangeeft dat Baasrode zich veel verder bevond, vloeien beide onderwerpen vlot in elkaar over. Buiten Baasrode-centrum zien we nog de Kastelse oever, de Schelde en een deel van het zijriviertje de Vliet, waarna de oever overloopt in een kade en het Antwerpse gedeelte van het schilderij een aanvang neemt.

We hebben een zicht op een kleine vismarkt ter hoogte van de Kronenburgtoren en in de verte zien we de kerk van de Sint-Michielsabdij en de O.L.V.-kathedraal opdoemen. Ook de bootjes van de pentekening zijn overgenomen in het schilderij.

De twee bootjes die zijn aangemeerd aan de Scheldeoever ten noorden van Baasrode bevinden zich hier evenwel aan de kade te Antwerpen, terwijl het klein bootje aan de voorzijde van de pentekening nu aan het palaveren is met een schipper. Links is dan weer een grote kraak (schip) afgebeeld.

clip_image017

Zicht op het havenbedrijf met vismarkt te Antwerpen. Vissers brengen vis, oesters en mosselen naar de vismarkt. Op de voorgrond links wordt een korf mosselen uit een schip gelost en in een boot gestort. Op de voorgrond rechts onderhandelen kopers over de prijs van de aangevoerde vis. (Havenbedrijf en markt te Antwerpen, anonieme meester, rond 1600. Olieverf op paneel. Copyright museum Fritz Mayer Van Den Bergh museum te Antwerpen, inv. nr. MMB.006)

clip_image019

Detail van het schilderij met zicht op de belangrijkste aanlegkaaien van het kerkhoofd en de kerk. Achter de drie schepen zien we nog een vierde aan een verder gelegen kaai, terwijl links daarvan de mast van een vijfde schip zichtbaar is. Op het schilderij zijn ook een aantal personen weergeven, waaronder schijnbaar ook een ruiter. (Havenbedrijf en markt te Antwerpen, anonieme meester, rond 1600. Copyright museum Fritz Mayer Van Den Bergh museum te Antwerpen, inv. nr. MMB.006)

Het lijkt erop dat het schilderij verband houdt met de vishandel tussen Antwerpen en Baasrode. De gemeente stond voor 1561 immers grotendeels in voor de bevoorrading van vis en schelpdieren voor een groot deel van de Denderstreek, Brussel en geheel West-Brabant, dewelke grotendeels vanuit Antwerpen werden ingevoerd.[11] De vraag is nu: wie heeft dit schilderij vervaardigd, waarom en wanneer?

Helaas kunnen we hier geen sluitend antwoord op geven. Qua stijl geeft het werk geen enkele indicatie een Pieter Bruegel de Oude te zijn, maar daarentegen valt het wel perfect te rijmen met de stijl van Jan Brueghel de Oude en anderen vanaf 1590. Maar toen waren de afgebeelde Baasroodse bouwwerken echter stuk voor stuk vernietigd en vervangen door andere, terwijl ook de vishandel sterk aan belang had ingeboet.

Hoe valt dat nu te rijmen? De reden dient vermoedelijk gezocht te worden in het feit dat er vanaf het einde van de zestiende eeuw een grote industrie bestond in het produceren van schilderijen met anachronistische elementen.

Het toenmalige publiek in de Zuidelijke Nederlanden had een grote interesse in afbeeldingen die meerdere lagen hebben, visuele puzzels, in het herkennen en bespreken van beeldelementen, enzovoort. Al blijft de rode draad Baasrode-Antwerpen-vishandel iets te toevallig, toch kunnen er geen zekerheden ontleend worden aan het schilderij.

Een origineel of een kopie naar een origineel van Pieter Bruegel de Oude lijkt immers uitgesloten, terwijl Jan Brueghel de Oude nu net iemand was die zeer bedrijvig was in het ontlenen van beeldelementen uit het werk van zijn vader.

Jan was daarenboven hoogstwaarschijnlijk in het bezit van de originele pentekening, want ook de kopie van Londen is aan hem toegeschreven. Om al deze redenen is het aannemelijk dat ook dit schilderij van zijn hand is.

Wat de ontstaansgeschiedenis van dit kunstwerk ook is, het belichaamt op duidelijke wijze de onderlinge verbondenheid van Baasrode met Antwerpen en vormt opnieuw een interessante toevoeging aan de boeiende geschiedenis van deze Scheldegemeente.

Bart De Bondt

Met medewerking van Prof. Dr. Manfred Sellink

clip_image021

De huidige Baasroodse kerk geprojecteerd op de pentekening van Pieter Bruegel de Oude.


[1] Pieter Breugel de Oude (geboren 1525-30, gestorven 1569) had naast een dochter twee zonen, Pieter Brueghel de Jonge (1564-1638) en Jan Brueghel de Oude (1568-1625). Om onbekende reden schreven beide zonen hun naam als Brueghel en niet als Bruegel.

[2] De overzet naar Antwerpen mocht “alleenlyck maer geschieden met het convoyschip”, en dat passagiersveer had sinds “smenschen gedenckenisse altijt tot Baesrode gelegen”. Zo ontstond in 1626  nog een juridisch geschil tussen Antwerpen en Dendermonde wanneer Dendermondse goederenschepen sinds enige tijd passagiers meenamen “die hun niet en willen transporteeren naer de prochie van Baeserode”.

Uiteindelijk werd een compromis gesloten door toch toestemming te verlenen aan zwangere vrouwen, kreupelen en zieken. In ruil moest men wel het veerloon betalen aan de konvooischippers. In 1636 werd het geschil definitief opgelost door het instellen van een passagiersveer van Dendermonde op Baasrode.  (Bron: Stadsarchief Antwerpen, Archief Schippersambacht, GA.4313)

[3] COEN, I., De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde, Waterbouwkundig laboratorium, 2008, pp. 62-65.

[4] De handel op de Dendermondse weekmarkt was omstreeks 1540 al jarenlang sterk ingekrompen omdat de Dendermondse poorters en handelaars in grote getale buiten de stad gingen wonen.

De meesten trokken met name naar Baasrode, waar zich ondertussen de hoofdelementen van de handel richting Antwerpen en Mechelen bevonden, waaronder de algemene stapel en de handel in buitenlandse goederen.

met name het uitsluitend recht van opslag, lading en lossing voor een groot aantal koopmanschappen aan de stad werd toegewezen. De zeer strenge privileges werden later gemilderd door akkoorden met Aalst en Antwerpen.

[5] COEN, I., De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde, Waterbouwkundig laboratorium, 2008, p. 71.

[6] REGNAUT, E., Catalogue d’une très riche collection d’autographes, d’estampes, de dessins, dl. 5, Gent, Van Doosselaere, 1865, p. 20.

[7] VAN VAERNEWYCK, M., VANDERHAEGEN, F.(ed.), ‘Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelick in Ghendt 1566-1568’, deel 2, Gent, 1872-1881, p. 129.

[8] Een ‘hoofd’ is een uitsprong in het water, waar doorgaans met schepen aangelegd kan worden of dewelke kunstmatig wordt aangelegd om de kracht van het water te breken. Het Baasroodse kerkhoofd vormde een grote, natuurlijke halfronde vernauwing van de Schelde waar zich de voornaamste kades bevonden. Ze werd vaak omschreven als het ‘hoofd van Baasrode’.

[9] Stadsarchief Dendermonde, Oud kerkarchief parochie Baasrode, nr. 15, rekening van 1594.

[10] Latere getuigenissen van inwoners van Sint-Gillis, Denderbelle en Zwijveke, Grembergen, Sint-Amands, Mariekerke, Buggenhout en Antwerpen. (Stadsarchief Dendermonde, Archief schepenbank Baasrode-Vlassenbroek en van de heerlijke griffie van Sint-Ursmarus-Baasrode, nr. 5, 16 en 221. documenten van maart-april 1663 en mei 1670)

[11] Binnen het Brussels vismijnreglement van 1450 hadden Baasroodse vishandelaars zelfs speciale rechten. Bij de vernieuwing van het reglement in 1517 was daar geen sprake meer van, maar wordt wel duidelijk dat de zout- en zoetwatervis vanuit Antwerpen en Steenbergen (Nederland) per schip naar Baasrode (Schelde) of Mechelen (Dijle/Rupel) werd vervoert, om vanaf daar over de weg met wagens, paarden en mitter hant naar de vismijn te getransporteerd te worden. (Bron: LAURENT, Ch., LAMEERE, L., SIMONT, H., Recueil des ordonnances des Pays-Bas. Deuxième sèrie, 1506-1700, 1893, Brussel, pp. 537-8.)

Naschrift:

Er is nog een link tussen Pieter Bruegel de Oude en het Dendermondse. Zo huwt Anna Brueghel (1620 – 1656) in 1636 met David Teniers II (1610-1690), zoon van David Teniers I, alias de Oude. Van deze hangt er in de Onze-Lieve- Vrouwekerk te Dendermonde een van 1617 daterende triptiek gewijd aan de patroonheiligen van Dendermonde Hilduardis en Christiana. Het schilderij heet De Verheerlijking van  Christus. Het middenpaneel verdween echter in 1914 bij de vernieling door het Duitse leger van de stad.

Anne Brueghel was de dochter van Jan Brueghel de Oude, alias de Fluwelen. De mogelijke schilder van het hier besproken schilderij De Vismarkt. Ze was dus een kleindochter van Pieter Bruegel de Oude en Maeyken Coecke, zelf de dochter van de befaamde Aalsterse kunstschilder Pieter Coecke van Aelst.

De zoon van Anne Brueghel en David Teniers II was de in 1638 geboren David Teniers III (1638-1685). Deze huwde op 4 april 1671 met de Grembergse Anna Maria Bonnarens (1652-1727), dochter van Joos Bonnarens, toen hoofdschepen van het Land van Dendermonde. Uiteraard een man met aanzien, macht en welvaart. Ze hadden vijf kinderen. Ze huwden trouwens in de Onze-Lieve- Vrouwekerk te Dendermonde. Ze konden er dus het werk van grootvader David Teniers I bewonderen.

Het verhaal toont nogmaals de nauwe relaties tussen de toenmalige topkunstschilders. Zo was Pieter Breugel de Oude gehuwd met een dochter van kunstschilder en eerste leermeester Pieter Coecke van Aelst. De kleindochter van Pieter Brueghel huwde dan weeral met een zoon van David Teniers I.

Ook hadden al die kunstschilders de best mogelijke relaties met de rijke kooplui, de kerkelijke autoriteiten en vooral de adel uit die periode. Het waren immers hun opdrachtgevers. Ze leefden in de best mogelijke symbiose, en wars van de politiek.

Als men David Teniers III trouwens doopt gebeurt dat met grootvader David Teniers I en Helena Fourment, de tweede echtgenote van Pieter Paulus Rubbens. Ook was de fameuze Antoon Van Dyck de boezemvriend van Jan Brueghel de Oude, grootvader van David Teniers III. Een Anthony Van Dyck die de meest fameuze leerling was van Pieter Paulus Rubbens.

En van Anthony Van Dyck hangen er twee schilderijen in de Dendermondse Onze-Lieve-Vrouwekerk, de Calvarie en de Aanbidding der Herders, ook gekend als de Kerststal. Twee der topwerken uit zijn tweede Antwerpse periode. Maar daarover later meer.

Willy Van  Damme

Met dank aan Michel Van Driessche.

Bronnen:

  • “Het ‘kasteel van Bonnarens’ op een familieportret van David Teniers III”, Aimé Stroobants, Gedenkschriften 2004, Oudheidkundige Kring Land van Dendermonde, pagina’s 313-317.
  • “Antoon van Dyck, 1599-1999: het portret als passie”, Katlijne Van der Stichelen, tijdschrift Vlaanderen, Jaargang 48, nummer 3, mei-juni 1999.
  • De stamboom van Pieter Coecke van Aelst. http://www.coucke.net/aalstnl/ksfam.htm.
  • “De Dendermondse patroonheiligen Hilduardus en Christiana en hun verering in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Dendermonde”, Aimé Stroobants en Leo Pée, 2004, Vrienden van de Onze-Lieve Vrouwekerk Dendermonde, het Stadsbestuur Dendermonde en de Stedelijke Musea.

 

 

Maurice Onkelinx

Dat journalistiek soms de diepten van de maatschappij en het modder gooien opzoekt is geweten. Ook nu weer met het verhaal van de vermeende collaboratie van Maurice Onkelinx, grootvader van PS-politica Laurette. ‘Vervelend’ voor Laurette schrijft de krant. Een merkwaardige redenering.

Niemand is immers verantwoordelijk voor het gedrag van een ander persoon, dus ook niet voor wat een grootvader ooit al of niet deed. Haar opmerkingen vorig jaar in het parlement betrof de houding van nog levende personen en waren ook aan hen gericht. Iets totaal anders dus.

 

Laurette Onkelinx haar grootvader was ooit ongeveer een jaar tijdens de tweede wereldoorlog dienstdoende burgemeester van het dorp Jeuk geweest. ‘Vervelend’ voor haar schreven De Standaard en De Morgen die haar zo mede verantwoordelijk stelden voor de mogelijks zelfs onschuldige daden van haar grootvader. Journalistiek op niveau dus.

Iedereen die het medialandschap en de politiek wat kent weet dat Ubu-Pan, de bron van het verhaal, grossiert in haat tegen de PS. Zoeken naar modder over die partij is er een traditie. En dit verhaal past hierin dan ook perfect. Ik vermoed dat men vanuit de N-VA deze feiten, welke bij insiders ongetwijfeld goed gekend waren, uit de ‘archieven’ haalde en aan Ubu-Pan bezorgde.

Maar beter en politiek interessanter waren geweest haar en haar partij te confronteren met het simpele feit dat onder de regering Di Rupo de armoede verder toenam. Dat is politiek relevant en daarvoor is zij mede verantwoordelijk, de rest is in een degelijke krant of ander nieuwsmedium amper een lijntje bij de fait divers waard.

Willy Van Damme

Lezersbrief aan De Morgen en De Standaard over het verhaal van Maurice Onkelinx, vader van Gaston en grootvader van Laurette. Maurice was op voordracht van secretaris-generaal Gérard Romsée, de door de Duitse bezetter tot de top der administratie benoemde collaborateur, aangeduid als schepen in de kleine Limburgse gemeente Jeuk. Gedurende ongeveer was hij er ook dienstdoende burgemeester.

Na de oorlog was hij daarom gestraft en enkele jaren zijn burgerrechten kwijt. Veel in het verhaal van Terzake op VRT-zender Canvas bleef echter onderbelicht of werd zelfs niet eens aangeraakt. De politieke situatie in het dorp en de reden waarom hij van schepen plots dienstdoende burgemeester werd weten we na al die verhalen niet. En van zijn toenmalig verweer hoorden we al evenmin iets. Modderjournalistiek dus.

Gelukkig was er historicus Bruno De Wever om wat tegengas te geven.

De Wever versus De Wever

Dat historicus Bruno De Wever en zijn broer medehistoricus Bart De Wever, voorzitter van de N-VA, dan wel uit diezelfde stal komen maar er op veel vlakken een andere visie op na houden is geweten.

Voorheen schreef Bruno al een hier eveneens besproken open brief over het droogleggen van het universitair onderzoek rond de collaboratie tijdens WO II. Nu is er de kwestie van het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij dat dreigt ten onder te gaan onder het gebeuk van broer Bart & Co.

Fanatiek

Zoals met alle overheidsdiensten is het ook hier de alleen als fanatiek en dwaas te omschrijven besparingswoede van onze Vlaamse en federale regeringen die, behoudens de multimiljonairs en de politiek, zowat alle lagen van de maatschappij treft, vooral dan de overheid. Waaronder ook de wetenschappelijke en culturele instellingen.

Wat dit genre van politici blijkbaar niet beseffen is dat een hoog geïndustrialiseerde maatschappij als deze niet kan zonder ook een stevig goed uitgebouwd overheidsapparaat.

Het is een structuur die zorgt dat alles blijft draaien, dat de wegen onderhouden worden, dat de politie en brandweer snel ter plaatse voldoende adequate hulp kunnen verlenen, de nodige vergunningen worden gegeven, het openbaar vervoer goed blijft functioneren en justitie echt werkt.

Vergeet het. Er is op veel plaatsen al een aantal jaren een gebrek aan plaatsen in het kleuteronderwijs. En wat doet deze regering? Investeren en het heuvel verhelpen? Neen, ze investeert niet verder op onderwijs en vorming maar bezuinigt strak verder zodat er nu al plaatsen tekort zijn in het lager onderwijs.

 

De hardvochtigheid van de regering Bart De Wever is sinds meer dan 100 jaar niet meer in België gezien. Er dient al teruggegaan te worden tot Charles Woeste en consoorten. Men lijkt er zelfs op gebeten om alle overheidsinstellingen, incluis het onderwijs en de cultuur- en wetenschapssector kapot te maken. Zijn broer is niet akkoord en tekent protest aan.

Ook hier dus bij het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij hanteert men zo hondsbrutaal de hakbijl dat dit het einde kan inluiden van dit centrum. Eenzelfde geluid was ook al te horen bij o.m. Peter De Caluwe van de Koninklijke Muntschouwburg of het Afrikamuseum in Tervuren. De meer dan terechte Belgische trots.

Maar het is geweten dat bepaalde Vlaams nationalisten een probleem hebben met de twee wereldoorlogen en de rol hierin van het Vlaams nationalisme. Zwijgen lijkt bij dit volk daarom wel de boodschap.

Ambetantenaren

Deze frontale aanval van de hier verantwoordelijke staatssecretaris Elke Sleurs van N-VA lijkt dan ook geen enkele verrasing. Er is in dit milieu bovendien ook een blijkbaar grondige haat tegenover de overheid en de ambtenarij die zo klein als mogelijk moet gemaakt worden. Men ziet ze hoogstens als een bijna overbodige luxe, een amper noodzakelijk kwaad. En dus weg ermee.

Daarbij gesteund door delen van een patronaat die denkt dat al die ambtenaren ambetantenaren zijn, mensen die het goed draaien van de maatschappij in de weg staan. Een overheid en ook een sociale zekerheid die zorgen voor de volgens hen te hoge belastingen.

Maar een hoog geïndustrialiseerde maatschappij kan niet zonder hoge lonen, dito belastingen, een goede sociale zekerheid en een uitgebreid en goed functionerend overheidsapparaat. Als morgen ons onderwijs verder de berg afgaat en onze kennismaatschappij in gevaar komt, wat dan? België behoeft een goed beleid zowel op economisch, sociaal als ecologisch vlak. Hier organiseert men een sociaal kerkhof.

Wie dat wenst kan nu de petitie van deze twee topwetenschappers steunen door hen te ondertekenen. Het kan via het internet: http://www.change.org/p/mevr-elke-sleurs-het-cegesoma-dreigt-te-verdwijnen?recruiter=184711561&utm_campaign=signature_receipt&utm_medium=email&utm_source=share_petition Opdat ons erfgoed en ons wetenschappelijk onderzoek te belangrijk zijn om het zomaar over te laten aan een stelletje politici wiens hardvochtigheid legendarisch aan het worden is.

Willy Van Damme

PETITIE

Het CegeSoma dreigt te verdwijnen!

Door de aangekondigde besparingen wordt het voortbestaan van het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) bedreigd. Met deze petitie willen wij hiertegen protesteren.

Het CegeSoma neemt vandaag een onmisbare wetenschappelijke en maatschappelijke plaats in in het debat over de meest donkere en delicate aspecten van onze hedendaagse geschiedenis.

Initiatiefnemers:

Bruno De Wever (UGent) & Laurence van Ypersele (UCL), leden van de Wetenschappelijke Commissie van CegeSoma.

Het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma) mag niet verdwijnen!

Het CegeSoma, met zo’n 45 vaste en tijdelijke medewerkers , een dotatie van 1,5 miljoen Euro en een totaalbudget van 2,5 miljoen Euro, is één van de kleinste instellingen die op federaal niveau actief zijn.

Het is in 1969 opgericht als een centrum over de geschiedenis van WO II en daarna uitgegroeid tot een internationaal gereputeerd kenniscentrum over conflictgeschiedenis in de 20ste eeuw.

Het combineert onderzoek, documentatie en publiekswerking. Het is gespecialiseerd in de studie van de donkerste jaren van de eerste helft van de vorige eeuw en een vertrouwd servicecentrum voor bevolking en overheid.

Voor Belgische historici van de nieuwste tijd fungeert het als een uniek platform van samenwerking en dialoog over alle grenzen heen. In vele opzichten is het ook een buitenbeentje.

Het is niet erkend als een Federale Wetenschappelijke Instelling en telt als gevolg daarvan geen enkele ambtenaar onder zijn personeel. Voor de financiering van zijn medewerkers in vast dienstverband steunt het dus helemaal op de jaarlijks toegekende dotatie.

Voor dit kleine centrum zijn de gevolgen van de bezuinigingen waartoe de federale regering op 15 oktober jl. besloot catastrofaal. Na drie jaar besparingen onder de vorige regering, wordt de kaasschaaf gehanteerd, met een vermindering van de dotatie met 4% op personeelsuitgaven, 20 % op werking en 22 % op investeringen. In 2015 zullen daardoor alle opgebouwde reserves zijn uitgeput.

Er kan dan enkel nog personeel worden afgedankt. Maar in deze relatief jonge instelling bereikt niemand in 2015 de pensioenleeftijd en hebben bijna alle personeelsleden recht op een opzegvergoeding die hoger ligt dan hun jaarsalaris. De kwadratuur van de cirkel dus. Wanneer je een dergelijke besparing op jaarbasis moet realiseren volstaat het dus niet 4% in de budgetlast voor lonen weg te knippen.

Het gaat over veel en veel meer. Daardoor wordt namelijk ook gesneden in de kleine ploeg van ‘vaste’ mensen die in de loop van hun carrière een kapitaal aan kennis en ervaring hebben opgebouwd.

De ruggengraat van de instelling wordt dus aangetast. Wanneer deze besparing onveranderd wordt doorgevoerd – en tussen 2016 en 2019 komt er nog jaarlijks 2% bovenop – wordt het doodvonnis van het CegeSoma getekend .

De ondertekenaars van deze petitie wensen dat het CegeSoma blijft bestaan en zijn werking kan verder zetten. Zij vinden het van het grootste belang dat dit bijzonder erfgoed verder wordt bewaard, bestudeerd en aan een breed publiek bekend gemaakt.

Zij vragen aan de bevoegde staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid, Elke Sleurs, dat er voldoende middelen worden gezocht om het voortbestaan van het CegeSoma te verzekeren.

Bruno De Wever (UGent) & Laurence van Ypersele (UCL)

Warnant en de val van Dendermonde–Barbertje moest hangen

Toen de Duitse troepen op iets minder dan twee uur niet alleen Dendermonde hadden bezet en zelfs over de Schelde tot aan de grens van Hamme waren geraakt, werd generaal-majoor Erasme Warnant, verantwoordelijk voor de verdediging van de stad, van zijn taak ontheven. Het opperbevel van het leger en de minister van Oorlog achten hem de schuldige voor deze zware nederlaag. Maar was dat zo? Het lijkt eerder het klassieke Barbertje dat moest hangen.

Kanonnen

Waarom viel Dendermonde zo snel? Was dat te wijten aan grote strategische fouten van de generaal, lafheid of incompetentie? Wie het dossier bekijkt kan alleen tot de conclusie komen dat hij inderdaad wel fouten maakte (1) maar dat hij op het vlak van de strategie grotendeels correct was. En lafheid kan hem ook niet kwalijk genomen worden.

Een van zijn fouten was waarschijnlijk dat hij het houten spoorwegstation niet liet afbreken zodat zijn schutsveld daarvan hinder had. Men mocht in 1837 toen de ijzerenweg in Dendermonde arriveerde het station om militaire reden alleen in hout bouwen. Het station lag immers in de fortengordel van de stad en Dendermonde was van oudsher een vestigingsstad en dat moest blijven.

Maar die klacht is wel relatief. De man had immers alleen een paar kanonnen die hij om veiligheidsreden opstelde in Grembergen vlakbij waar nu café De Verloren Zoon is. Typerend is dat Warnant wel extra kanonnen kreeg maar… die kwamen pas toe op 4 september om 5 uur in de ochtend toen de aanval op Lebbeke al volop bezig was. Die was immers gestart om 4u30.

Erasme Joseph Warnant, generaal majoor

Barbertje van dienst generaal-majoor Erasme Warnant, hier in het uniform van kapitein. (foto Tony van Renterghem)

Verder had hij inderdaad niet al zijn troepen in de frontlijn in Lebbeke, Sint-Gillis en ook Dendermonde gestopt. Maar was dat strategisch een fout? Discutabel. Hij wist dat er in Asse ongeveer 40.000 troepen klaar stonden om noordwaarts naar Dendermonde en de zeer strategische Scheldebrug op te rukken.

Vestigingsstad

Van het opperbevel in Antwerpen had hij ongeveer 3500 man gekregen die voorheen in Luik en aan de Gete hadden gevochten en die terugtocht te voet hadden moeten doen. Dit waren geen verse geheel fitte eenheden maar vermoeide soldaten die bovendien amper materiaal hadden.

Zo had Dendermonde sinds 1886 wel drie vooruitgeschoven forten zoals Fort Rozenbroek die dienst moesten doen voor de artillerie. Het probleem was echter dat er geen kanonnen voorhanden waren, niet die 4de september en ook nooit voorheen.

Gezien die situatie was het niet onverstandig om reeds over een min of meer uitgebouwde terugvalpositie te beschikken voor als de aanval er zou komen. Bovendien kreeg hij pas op 28 augustus de opdracht om de stad te verdedigen en er terug een vestigingsstad van te maken. Met andere woorden: Hij kreeg zeven dagen om zijn verdediging van de stad voor te bereiden.

Militair compleet onzinnig. Als na een week Luik en zijn onneembaar geachte forten al in Duitse handen vielen, wat moeite zou het dan kosten om Dendermonde in te nemen? Zero! Eens op tafel kloppen en goed blazen en het was zo in Duitse handen. En dat bleek. De hier bevelvoerende Duitse Generaal Max von Böhn joeg het Belgische leger op de vlucht zoals een mes door boter gaat.

Dries Romanus en Veronique De Moor aan Fort Rozenbroek

Het echtpaar Dries Romanus en Veronique De Moor in 2012 voor het uit 1886 daterende Dendermondse fort Rozenbroek. Het is sindsdien al deels gerestaureerd en door het echtpaar bewoond. Het is een uniek en zeer mooi restauratieproject. Prijzenswaardig.

En wat kon Warnant doen, vechten tot hij al zijn soldaten had verloren en zijn materiaal kapot was? Natuurlijk niet. Een strateeg weet wanneer hij zich moet terugtrekken om zijn gevechtskracht en kansen op succes zoveel mogelijk te behouden.

Zwakke verdediging

Neen, de schuld in dit verhaal van de val van de stad ligt op vele plaatsen, minst nog bij Warnant. Grootste schuld is natuurlijk Duitsland dat België en ook Dendermonde aanviel. Het had sinds de Duitse eenmaking onder de Pruisen en Otto von Bismarck een agressieve politiek gevoerd door het leger gestaag uit te bouwen tot het sterkste van Europa.

De Duitse invasieplannen zoals dat genoemd naar generaal Alfred von Schlieffen waren bovendien amper een geheim. En dat Duitsland actief in België de taalkwestie gebruikte om het land te destabiliseren had onze elite wakker moeten schudden. Ze bleef echter slapen en zat daardoor met een totaal onvoorbereid leger en forten die totaal verouderd waren.

De befaamde Luikse forten bestonden zelfs niet uit gewapend beton. Het Belgisch leger ontbrak het in 1914 gewoon aan professionaliteit. En dat is niet alleen zomaar de schuld van de legertop maar vooral van de opeenvolgende regeringen die geheel naïef geloofden dat het plechtig door o.a. Pruisen in 1839 ondertekende neutraliteitsverdrag het land zou beschermen.

Ze waren gewoon blind en doof voor al die voortekenen die een Duitse inval voorspelden. Een natie bouwt geen gigantisch leger op om de landsgrenzen te bewaken maar om aan te vallen en andere landen te veroveren. Simpele logica. Zo heeft de VS niet zomaar een gigantisch leger. Het dient om niet om haar grenzen te bewaken maar om de wereld onder de knoet te houden. Logisch.

Groot-Brittannië en Frankrijk hadden ook wel een groot leger – maar minder sterk dan het Duitse – maar die hun doel was in essentie de verovering van koloniën, ver weg van België. Duitsland had ook wel koloniën en een vloot maar die koloniale expansie was erg beperkt.

Dendermonde - Plattegrond met vermelding vernielde woningen - 8

De plattegrond van Dendermonde anno 1914. De militaire structuur van de stadsgrenzen is duidelijk te zien. En dat is ook nu nog goed merkbaar met dit verschil dat hier nu in veel gevallen prachtige natuurgebieden liggen. De op de kaart gearceerde gebouwen zijn die welke door het Duitse leger tussen 4 en 7 september 1914 in brand waren gestoken.

Duitslands ambitie was de heerser over Europa te zijn. Men moest maar de Duitse pers en literatuur uit die periode lezen om dat te beseffen. Het falen van het Belgisch leger – dat wel heel dapper en hard het land verdedigde – was dus essentieel een gevolg van de verwaarlozing van het leger door de politici.

Strategische ligging

Vragen om de forten te voorzien van gewapend beton werden niet gehonoreerd. En dat men nog vlak voor de oorlog in Duitsland grote nieuwe kanonnen bestelde typeert de naïviteit van diegenen die deze beslissing namen. Uiteraard bleef de Duitse producent maar excuses vinden om ze niet te leveren en de vertraging te rechtvaardigen.

En dat liet zich voelen in de specifieke toestand in Dendermonde. Sinds de stichting rond 900 van de stad door een ridderfamilie onder de Duitse keizers Otto I en II was Dendermonde een vestigingsstad. Ze ligt immers strategisch aan de Schelde en de Dendermonding.

Toen was dat nog tegen de invallen van de Noormannen en de agressieve expansiepolitiek van de Graaf Van Vlaanderen. De Schelde was toen immers een grensrivier tussen het Graafschap Vlaanderen en dus Frankrijk en het rijk van de Duitse Ottoonse keizers. Dendermonde volgde de oprichting van andere vestigingen zoals Valenciennes en Ename bij Oudenaarde.

Dendermonde - Belgisch leger in actie - 2

De legereenheid die Dendermonde moest verdedigen was totaal niet opgewassen tegen de Duitse militaire pletwals. Zo beschikte generaal von Böhn zelfs over een luchtballon die hij installeerde aan de hoofdkerk van Sint-Gillis. Waarmee hij dan de Belgische troepenbewegingen in het Waasland in de gaten kon houden.

En dat bleef zo. De Scheldebrug was heel lang de laatste droge overgang voor de Scheldemonding. De brug in Temse bestond toen nog niet. En dus trokken Spaanse, Franse, Britse en Nederlandse troepen regelmatig door de stad een spoor van vernieling aanrichtend.

Pas in 1782 zou de Oostenrijkse Habsburgse keizer Jozef II de stad haar vestigingsstatuut ontnemen en ontmantelde en verkocht men al die forten, wallen en kazernes. Wat in 1815 na de slag bij Waterloo zou veranderen. De Britten en hun Nederlandse vrienden maakten van Dendermonde opnieuw  een vestigingsstad met alles erop en eraan. Getuige de uit 1827 daterende infanteriekazerne.

Maar dankzij de vrede na 1815 en het economisch succes van de Belgische staat met o.m. haar impressionant spoorwegenstelsel explodeerde na 1830 de Belgische economie als het ware. Ook de verovering van Congo was een belangrijke factor. De Dendermondse familie De Bruyn had immers in de stad grote erg winstgevende fabrieken die o.m. Congolese olie verwerkte.

En dus begon de druk in de stad toe te nemen om haar statuut van vestigingsstad op te heffen. Dendermonde intra muros wou groeien maar voelde die militaire aanwezigheid als een grote rem. Begrijpelijk. Zo waren er in 1890 in totaal eventjes 62 gebouwen eigendom van het leger.

En omdat men de verdediging van de stad zelf niet kon versterken bouwde men in 1886 buiten de stad dan maar die gordel met haar drie forten, ten zuiden en ten oosten van de stad, richting Lebbeke en Baasrode. Twee ervan zijn nog deels intact.

Omsingeling dreigde

Maar in 1906 werd dan tegen de zin van het leger maar onder druk van de Dendermondse elite dit statuut van van vestigingsstad opgeheven. Een heel begrijpelijke houding van die Dendermondse politici en nijveraars.

De aanval op Dendermonde van 4 september 1914

Hier is het verloop van de aanval op Dendermonde goed te bemerken. Op minder dan twee uur tijd zat men van de grens van Sint-Gillis-Dendermonde en Lebbeke over de Schelde. Het Belgisch leger kon alleen maar symbolisch weerstand bieden. De uit drie forten bestaande verdedigingsgordel is aangeduid met de nummers 1, 2 en 3. 3 is het huidige fort Rozenbroeck.

Met de verkoop was men, gelukkig voor het leger, in 1914 echter nog niet echt begonnen. Maar Warnant kreeg dus het bevel over een stad wiens fortengordel al deels in verval was en ook niet aangepast aan de technologische evolutie.

En dan was er het bevel dat Warnant op 28 augustus van de luitenant-generaal gouverneur van Antwerpen kreeg. Iedereen die wat nuchter nadenkend de militaire kaart na de val van Brussel bekeek zag de strategische positie van de stad. Ten oosten en ten zuiden was Antwerpen voorzien van een ganse serie goed uitgebouwde forten.

Alleen wie verder op die kaart westwaarts keek zag Dendermonde liggen. Men moest dan wel kijken. De stad was amper te verdedigen en in het land van Waas waren de forten die Antwerpen daar moesten verdedigen evenmin sterk te noemen. Bovendien zou een doorbraak in het Land van Waas de omsingeling betekenen van het Belgische leger dat nadien wel zou moeten capituleren.

En dergelijke omsingelingsbewegingen langsheen de flanken zijn klassiek bij oorlogen. De echte reden waarom Duitsland het risico nam om België aan te vallen was immers om zo een  omsingelingsbeweging langs diezelfde westelijke kant te kunnen doen om zuidwaarts Parijs te veroveren en de Fransen tot overgave te dwingen.

Duitse flater

Het sturen van Warnant met dat ‘zootje’ van 3500 soldaten getuigt in hoofde van het Belgische opperbevel dan ook van een zware strategische fout. Het is alleen om reden dat het Duitse opperbevel hier ook een al even grote gelijkaardige blunder maakte dat het Belgische leger een maand later kon ontsnappen naar de IJzer.

Had generaal Max von Böhn zijn 40.000 man die 4de september naar Stekene, Moerbeke en Koewacht gestuurd dan was het gedaan geweest met het Belgische leger. En Warnant met zijn 3500 man had hem aan de Durme in Hamme en Waasmunster zeker niet kunnen stoppen. En bovendien waren de mogelijke versterkingen vanuit Antwerpen of Gent zeker te laat gekomen.

Gelukkig voor het Belgisch leger had het Duitse opperbevel begin september geen echte aandacht voor de Belgische vijand. Hun grootste zorgen waren de cruciale slag aan de Marne die op dat ogenblik ging beginnen en het veel sneller dan verwachte gevechtsklare Russische leger.

Duitsland verloor de oorlog feitelijke de eerste twee maanden van dit conflict toen het vast raakte op het taaie Belgische verzet en het toch sterker dan gedacht zijnde Franse, Britse en Russische leger. Men dacht geen Belgische weerstand te ondervinden en het draaide totaal anders uit.

Dendermonde - Scheldebrug - Vernieling - Gezien vanuit Veerstra

De Scheldebrug waar het allemaal om te doen was. Pas eind september bij de derde Duitse aanval op de stad en slechts op het allerlaatste ogenblik vloog de brug in de lucht. Het eerste ontstekingsmechanisme wou niet werken, het tweede gelukkig voor de Belgen wel. Maar toen stormden al massa’s Duitsers de brug op. Hun lichaamsdelen vlogen tot in de Belgische gevechtslinies.

Het eerst door de generaal Helmuth von Moltke en later door generaal Alfred von Schlieffen aangepaste oorlogsplan was duidelijk niet realistisch en hoogmoedig. In hun  arrogantie hadden zij de anderen zwaar onderschat.  En hoogmoed komt steeds voor de val.

Dat Warnant zich zo snel terugtrok en de stad uit handen moest geven was langs Belgische zijde eerst en vooral de schuld van de legerleiding die hem een 3de klasse eenheid meegaf om een eerste klasse verdediging te voeren. Een minuutje nadenken had voldoende geweest om dit probleem te zien. Het was een onmogelijke opdracht, een zelfmoordmissie.

Politieke beslissingen

Verder was de slechte staat van de Belgische landsverdediging en specifiek die van Dendermonde een gevolg van politieke beslissingen die opeenvolgende regeringen de jaren voordien hadden genomen. Dat luitenant-generaal Antonin de Selliers de Moranville en minister van Oorlog graaf Charles de Broqueville Warnant de schuld voor het falen in Dendermonde gaven is zonder twijfel fout.

Bovendien had de Broqueville als minister van oorlog en dus lid van de regering hier een dubbele verantwoordelijkheid. Politiek was hij verantwoordelijk voor de slechte staat van de landsverdediging anno 1914 zoals bijvoorbeeld de late mobilisatie.

Militair droeg hij de medeverantwoordelijkheid toen men Warnant de taak gaf om een strategisch zo belangrijke stad als Dendermonde te laten verdedigen door soldaten die in bepaalde gevallen niet eens een functionerend geweer hadden.

Belgische en Duitse posities op 22 augustus 1914

Op deze kaart is duidelijk te zien hoe kwetsbaar de verdediging van Antwerpen feitelijk was. Westwaarts was er immers amper sprake van een verdediging en Dendermonde met zijn Scheldebrug lag zo voor het grijpen. Had de Duitse generaal von Böhn die 4de september naar Moerbeke en Stekene doorgestoten dan was het Belgische leger al die dag uitgeschakeld geweest.

Maar zoals in alle dergelijke organisaties moet er in geval van falen een schuldige worden gevonden en die weet men via het paraplusysteem steevast te vinden op de zo laagst mogelijke trap en dat was ditmaal generaal-majoor Erasme Warnant. Barbertje moest en zal hangen.

Het feit dat hij voorheen in 1904 tegen het advies van het leger in de job van opperbevelhebber van de Force Publique, het Congolese privélegertje van koning Leopold II, op zich nam werd hem dan vermoedelijk kwalijk genomen. Ook het feit dat hij in 1912 tot in het parlement protesteerde tegen zijn niet-benoeming tot generaal speelde bijna zeker eveneens een rol.

En vermoedelijk kwam daar ook het feit bij dat hij, nochtans komende uit een katholiek nest met adellijke connecties, een vrijzinnige was. België was in het begin van de twintigste eeuw een katholiek land waar men alleen in de marge wat vrijzinnigen, liberaal en socialistisch, tolereerde.

Opperbevelhebber de Selliers de Moranville en de Broqueville hadden de schuldige dan ook ultrasnel gevonden. Eventjes in de spiegel kijken was daar zeker niet bij.

Het Schlieffen-Moltkeplan voor de aanval op Frankrijk 1914

Het door opperbevelhebber von Schlieffen aangepaste aanvalsplan van zijn voorganger von Moltke. In de oorspronkelijke versie zou men ook Nederlands Limburg aanvallen. Het ontbrak het plan aan elke realiteitszin en sommige Duitse generaals beseften dat ook wel. Normaal ging men dus Antwerpen links laten liggen. Maar omdat het Belgisch leger te gevaarlijk was moest men het wel aanvallen.

Willy Van Damme

1) Zo had hij de munitie en andere voorraad voor zijn troepen allemaal opgesteld onder de Grembergse kerktoren. Een flater van jewelste want bij een oorlog als dit zijn hoge gebouwen zoals kerktorens het eerste doelwit van elke kanonnier.

Het zijn immers uitkijktorens voor de troepen en die worden steevast kapot geschoten of vooraf vernield zoals het Belgisch leger deed met de aan de Schelde gelegen kerken van Baasrode en Sint-Amands aan de Schelde. Gelukkig voor Warnant en zijn manschappen hebben de Duitsers nooit gemikt op de kerk in Grembergen. Nog een Duitse flater.

Het Laatste Nieuws in 1914–Aanval op Dendermonde met zware Duitse verliezen afgeslagen

Het Laatste Nieuws stopt al enkele weken een kopie van haar krant van 100 jaar voordien bij de krant van de dag. Een leuk en ook wel interessant initiatief. En vorig weekend was het dan de krant van 6 september die men kon lezen. Het waren duidelijk andere krantentijden.

Maar wat 100 jaar later nog steeds hetzelfde is gebleken zijn de vette sensationele titels en de kwaliteit van haar berichtgeving die even belabberd is als wat ze nu aan haar lezers dagelijks serveert over andere conflicten in de wereld zoals Syrië, Iran of Oekraïne. Liegen is toen en ook nu nog steeds de hoofdbekommernis.

Zo wist de krant van 6 september 1914 te melden dat het Belgische leger de dag voordien met succes de aanval op Dendermonde had afgeslagen en de Duitse aanvaller daarbij zware verliezen had toegebracht.

Het Laatste Nieuws - 6 september 1914 - Verovering van Dendermo

Het Belgische leger behaalde volgens Het Laatste Nieuws van 6 september 1914 de dag voordien in Dendermonde een klinkende overwinning op het Duitse leger.

Een mens vraagt zich dan af wat de lezers van toen uit de omgeving zoals in Wichelen of Wetteren waar de krant nog vermoedelijk te krijgen was of wat de soldaten toen moeten gedacht hebben bij het lezen van zoveel onzin.

De aanval op Lebbeke begon vanuit de richting Asse en Mazenzele op 4u30 en tegen ongeveer 10u30, dus zes uur later, zaten ze aan het spoorwegstation van Moerzeke in Grembergen aan de grens met Hamme en over de Schelde. Een 20 kilometer verder, ongeveer vijf uur stevig wandelen.

Veel gevochten was er daar niet en vermoedelijk vielen de meeste Duitse gewonden bij het vernielen van de woningen onderweg van Lebbeke naar Dendermonde en het zich lazarus drinken van de door hen gestolen wijn uit de Dendermondse burgerhuizen. Een gevolg dan van snijwonden veroorzaakt door de vele gebroken wijnflessen.

Aan beide kanten vielen er voor zover geweten bij de slag om Dendermonde relatief weinig doden door het oorlogsgeweld. Maar voor Het Laatste Nieuws was er sprake van zware Duitse verliezen. Het is maar wat je ‘zware’ noemt natuurlijk.

Er is duidelijk qua kwaliteit in die 100 jaar op journalistiek vlak geen echte verandering merkbaar. Nu heeft men het over vrijheidsstrijders in Syrië en democraten in Oekraïne. Zelfde onzin, zelfde krant.

Willy Van Damme